Terug naar boven

Uitvoeringskosten

In 2019 zijn de totale uitvoeringskosten gedaald. ABP splitst deze kosten uit in kosten voor het beheer van de pensioenen en kosten voor het beleggen van de premies.

3.8.1 Ontwikkeling totale uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten bestaan uit de door APG in rekening gebrachte kosten, algemene operationele kosten van het pensioenfonds en kosten van externe vermogensbeheerders. De algemene operationele kosten van het pensioenfonds zelf worden waar mogelijk specifiek toegewezen aan pensioenbeheer of aan vermogensbeheer. Als dat niet mogelijk is, worden de kosten verdeeld.
Het beheersen en het verantwoord verlagen van de uitvoeringskosten is een van de speerpunten van het bestuur. In 2019 daalden de kosten van pensioenbeheer, onder meer dankzij het effect van de efficiencyslagen die APG vanaf 2016 heeft ingezet, met waarborging van het serviceniveau voor deelnemers en werkgevers. De kosten voor vermogensbeheer zijn in absolute zin gestegen, maar in relatieve zin (gemeten in basispunten) gedaald. Deze kosten worden uitgesplitst in beheervergoedingen, prestatievergoedingen en transactiekosten. Hierna lichten we de ontwikkeling van de pensioenbeheerkosten en de vermogensbeheerkosten verder toe.

3.8.2 Pensioenbeheerkosten

Kosten pensioenuitvoering dalen verder

In 2019 zijn de totale uitvoeringskosten van pensioenbeheer (dit zijn de kosten van deelnemerstransacties, communicatie met deelnemers, werkgevers- en gegevensbeheer, governance en financieel beheer) gedaald met € 4 miljoen, van € 145 miljoen naar € 141 miljoen. Deze daling is grotendeels toe te schrijven aan de verdere vereenvoudiging van de pensioenregeling, efficiëntere uitvoering van processen en verdergaande digitalisering van de communicatie met deelnemers.
Tegelijkertijd zijn de kosten voor het beter bedienen van deelnemers en werkgevers gegroeid. Zo zijn er nieuwe initiatieven gestart voor het bieden van inzicht en handelingsperspectief voor deelnemers en hebben we geïnvesteerd in de verbetering van de deelnemer- en werkgeverbeleving. Ook is de uitbreiding van het UPO met drie scenario’s voorbereid en is de aanlevering van gegevens aan Mijnpensioenoverzicht (voorheen het Pensioenregister) versneld. Per saldo werd een kostendaling gerealiseerd.
 
In de totale uitvoeringskosten zit ook een bedrag van € 10 miljoen voor toegerekende eigen kosten van het pensioenfonds. Deze post is niet gewijzigd ten opzichte van 2018 (€ 10 miljoen).

Trend kostendaling per deelnemer zet door

De kostprijs per deelnemer is de belangrijkste kostenindicator voor ons pensioenbeheer. Dankzij de gerealiseerde kostenverlaging is in 2019, voor het zesde jaar op rij, de kostprijs per deelnemer gedaald. De kostprijs per deelnemer daalde met € 4, van € 72 naar € 68.

Kosten van pensioenbeheer

  2019 2018 2017 2016 2015
           
Uitvoeringskosten van pensioenbeheer (x € 1.000) 141.129 144.729 149.962 155.372 160.450
Aantal deelnemers, definitie Pensioenfederatie 2.061.333 2.015.200 1.979.560 1.955.177 1.915.019
           
Kosten per deelnemer in € 68 72 76 79 84
Verschil t.o.v. vorig jaar -4 -4 -3 -5 -4
           
 

De kosten per deelnemer zijn voor een deel ook gunstig beïnvloed door een stijging in het aantal actieve en pensioengerechtigde deelnemers. De kostprijs per deelnemer wordt namelijk bepaald op basis van deelnemersaantallen volgens de definitie van de Pensioenfederatie. Alleen de actieve deelnemers en pensioengerechtigden tellen mee voor deze berekening. Het totaal aantal actieve deelnemers en pensioengerechtigden is met circa 46.000 gestegen van 2.015.200 eind 2018 tot 2.061.333 eind 2019. In 2019 was er opnieuw groei te zien in alle categorieën deelnemers. Het aantal actieve deelnemers steeg met circa 1,9%, het aantal gewezen deelnemers met circa 0,2%. De sterkste stijging, circa 2,7%, was zichtbaar bij de pensioengerechtigden. 

Deelnemerspopulatie

in aantal personen

  31-12-2019 31-12-2018 31-12-2017 31-12-2016 31-12-2015
           
Actieve deelnemers 1.150.592 1.128.671 1.111.106 1.104.792 1.080.490
Gewezen deelnemers 954.702 952.476 946.097 933.126 941.586
Pensioengerechtigden 910.741 886.529 868.454 850.385 834.529
Totaal 3.016.035 2.967.676 2.925.657 2.888.303 2.856.605
           
Ouderdomspensioen 656.859 638.787 621.218 603.308 586.859
Arbeidsongeschiktheidspensioen 44.728 40.665 41.106 41.740 43.106
Nabestaandenpensioen 201.534 199.788 198.978 197.911 196.788
Wezenpensioen 7.620 7.289 7.152 7.426 7.776
Totaal aantal pensioengerechtigden 910.741 886.529 868.454 850.385 834.529
 

Bij de actieve deelnemers is de groei te verklaren door de aantrekkende economie en de toegenomen werkgelegenheid, met name in de sectoren rijk en gemeenten. De stijging van het aantal gewezen deelnemers, vooral een gevolg van arbeidsmobiliteit, is iets afgevlakt ten opzichte van 2018 vanwege het effect van de nieuwe regels met betrekking tot waardeoverdracht van kleine pensioenen. De toename van het aantal pensioengerechtigden wordt in het algemeen veroorzaakt door de vergrijzing en in het bijzonder door de actie van ABP rondom arbeidsongeschiktheidspensioenen (zie ook het hoofdstuk Bouwen aan goed pensioen voor 3 miljoen deelnemers).

Nieuwe afspraken, lagere kosten

De kosten voor pensioenuitvoering zijn onderdeel van de afspraken die ABP maakt met APG. Voor de periode 2018-2020 is een van de doelstellingen om een verdere daling van deze kosten te realiseren. Met de daling van € 4 per deelnemer is dat in 2019 opnieuw gelukt. De verwachting is dat de prijs per deelnemer ook komend jaar kan dalen, zij het minder sterk dan de afgelopen jaren. Dat bereiken we door in te zetten op verdere vereenvoudiging van de pensioenregeling en efficiëntere uitvoering van processen, waarbij we de kwaliteit van de uitvoering en onze dienstverlening verder willen verbeteren. 

Marktvergelijking van de pensioenbeheerkosten

Als bestuur vinden wij het belangrijk om te zien hoe ABP presteert ten opzichte van andere fondsen op het gebied van pensioenbeheerkosten. Daarom volgt ABP de wereldwijde benchmark van CEM, waarin ABP wordt vergeleken met:

  • een groep grote Nederlandse pensioenfondsen;
  • een groep grote Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen;
  • de totale groep van Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen.

De cijfers van de groep grote Nederlandse pensioenfondsen zijn voor ABP het meest relevant, omdat deze fondsen het beste vergelijkbaar zijn.
In 2018 (het meest recente jaar waarover bij de afronding van dit jaarverslag CEM-gegevens beschikbaar zijn) lagen de kosten voor pensioenbeheer per ABP-deelnemer met € 72 ruim onder het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen van € 86. In de grafiek is het meerjarige verloop van de kostprijs per deelnemer voor ABP en voor de groep grote Nederlandse pensioenfondsen weergegeven.


CEM is in 2019 gestart met het vergelijken van de investeringen van pensioenfondsen in deelnemer- en werkgeverbeleving. Deze cijfers waren eind 2019 wel bekend: voor dit aspect behoort ABP tot de groep van toonaangevende fondsen. De komende jaren zal CEM dit onderdeel van de benchmark verder uitbreiden, mede op verzoek van ABP.

3.8.3 Vermogensbeheerkosten

Change layout to 1 column

Vermogensbeheerkosten in hun context
De absolute bedragen van de vermogensbeheerkosten leiden regelmatig tot vragen over nut en noodzaak van deze kosten, vooral bij deelnemers. De evaluatie van de kosten voor vermogensbeheer is het meest zuiver als hierin ook de omvang van het belegde vermogen, het (beoogde) rendement, de risicospreiding en de behaalde performance worden meegenomen. De hoogte van de vermogensbeheerkosten hangt direct samen met de schaalgrootte van ABP en daarmee met de omvang van ons belegd vermogen: wij zijn met 3 miljoen deelnemers en een belegd vermogen van € 466 miljard (ultimo 2019) het grootste fonds van Nederland. ABP kiest bovendien bewust voor een actieve beleggingsstijl. Dat brengt hogere kosten met zich mee, maar het is onze visie dat deze manier van beleggen de beste mogelijkheid biedt om de beoogde rendementsdoelstellingen te behalen en onze risico’s te spreiden, om zo een goed pensioen voor deelnemers te realiseren.

Beheervergoedingen
De beheervergoedingen hangen samen met keuzes in de samenstelling van de beleggingsportefeuille. Illiquide beleggingen zijn in principe duurder dan liquide beleggingen, maar leveren wel een hoger rendement op en dragen bij aan onze doelstellingen, bijvoorbeeld op het gebied van risicospreiding en duurzaam en verantwoord beleggen. We streven ernaar het beheer zoveel mogelijk door APG te laten doen om deze kosten te verlagen; uitbesteding aan gespecialiseerde externe managers moet toegevoegde waarde bieden. 

Prestatievergoedingen
Alleen als de externe manager een rendement realiseert boven een minimum afgesproken (benchmark)rendement, krijgt hij een prestatievergoeding. Hoe hoger het rendement is, des te gunstiger voor onze deelnemers, maar hoe hoger ook de absolute kosten. Pas op het moment dat een externe manager een (meerjarige) performance boven het afgesproken (benchmark)rendement behaalt, is ABP bereid prestatievergoedingen te betalen. Bij illiquide beleggingen worden prestatievergoedingen bepaald op basis van ongerealiseerde rendementen; ze worden pas betaald bij gerealiseerde rendementen. Bij een lagere performance over een bepaalde periode kan het daardoor gebeuren dat de reservering voor deze prestatievergoedingen naar beneden moet worden bijgesteld, met een negatieve prestatievergoeding over die periode als gevolg.

Transactiekosten
De transactiekosten zijn de kosten die ABP moet maken voor de aan- en verkoop van beleggingen. De omvang van het beheerde vermogen en onze actieve beleggingsstijl beïnvloeden deze kosten.

Beleggings- en transactiekosten 2015-2019

  2019 2018 2017 2016 2015
  € mln bp € mln bp € mln bp € mln bp € mln bp
                     
Beheervergoeding 380 8,6 362 8,8 343 8,8 335 9,1 334 9,5
Beheervergoeding externe vermogensbeheerders 851 19,3 794 19,4 827 21,1 808 22,0 861 24,4
Bewaarloon 51 1,2 53 1,3 50 1,3 48 1,3 45 1,3
Overige kosten 172 3,9 161 3,9 170 4,4 173 4,7 183 5,2
Beheervergoedingen 1.454 33,0 1.370 33,4 1.390 35,6 1.364 37,1 1.423 40,4
Prestatievergoedingen 1.058 24,0 1.090 26,6 1.131 28,9 867 23,7 739 20,9
Beleggingskosten 2.512 57,0 2.460 60,0 2.521 64,5 2.231 60,8 2.162 61,3
Transactiekosten 392 8,9 397 9,7 467 11,9 204 5,6 218 6,2
Totale kosten vermogensbeheer 2.904 65,9 2.857 69,7 2.988 76,4 2.435 66,4 2.380 67,5
 

Change layout to 2 columns

Absolute kosten stijgen, daling in basispunten

De totale vermogensbeheerkosten (bestaande uit beheer- en prestatievergoedingen en transactiekosten) zijn ten opzichte van 2018 gestegen met € 47 miljoen en kwamen uit op € 2.904 miljoen. In basispunten daalden de totale vermogensbeheerkosten met 3,8 bp.
De beheervergoedingen zijn in 2019 met € 84 miljoen gestegen. Deze stijging is grotendeels te verklaren door de stijging van het belegd vermogen met 16%. Hierdoor nemen de absolute kosten ook toe. In basispunten daalden de beheervergoedingen met 0,4 bp. Dit is toe te schrijven aan het feit dat de beheeractiviteiten waar mogelijk door APG worden uitgevoerd, wat lagere kosten met zich meebrengt.
De prestatievergoedingen zijn gedaald met € 32 miljoen doordat voor de private equity-portefeuille en het Opportunity fund lagere rendementen zijn behaald dan afgesproken. In basispunten is de daling 2,6 bp ten opzichte van 2018.
De transactiekosten zijn gedaald met € 5 miljoen, met name door een daling in de categorie aandelen; de relatieve daling bedroeg 0,8 bp.

 

Periode 2015-2019

In de periode 2015 – 2019 zijn de beleggingskosten gedaald van 61,3 bp in 2015 naar 57,0 bp in 2019. De daling van de beheervergoedingen voor externe vermogensbeheerders heeft hieraan het sterkst bijgedragen. Deze daling hangt samen met de keuze van het bestuur voor meer intern beheer en directe investeringen, in plaats van fondsinvesteringen beheerd door externe partijen. Als gevolg van deze keuze zijn de overige kosten eveneens gedaald.
De prestatievergoedingen variëren van jaar tot jaar en zijn direct gerelateerd aan de behaalde rendementen.
De gerapporteerde transactiekosten zijn over dezelfde periode gestegen met 2,7 bp tot 8,9 bp in 2019. De belangrijkste oorzaak van deze stijging is de gewijzigde definitie in regelgeving over de rapportage van transactiekosten met ingang van 2017. Vanaf dat jaar moeten ook de (impliciete) spreadkosten van aan- en verkooptransacties van vastrentende waarden worden gerapporteerd.

Aansluiting kosten vermogensbeheer

In de jaarrekening zijn de vermogensbeheerkosten verantwoord volgens de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 610. Dit betreft de gefactureerde kosten. Niet-gefactureerde kosten van de externe vermogensbeheerders zijn in de jaarrekening gesaldeerd met beleggingsresultaten. Het gevolg is dat in de jaarrekening (Toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten, zie de tabel Beleggingsresultaten netto) een lager bedrag aan kosten is verantwoord dan in het bestuursverslag. De tabel geeft de aansluiting tussen beide weer.

Aansluiting kosten vermogensbeheer

in € mln

  Totaal 2019 Totaal 2018
Bestuursverslag    
Beheervergoedingen 1.454 1.370
Prestatievergoedingen 1.058 1.090
Transactiekosten 392 397
Totaal 2.904 2.857
Jaarrekening    
Rechtstreeks gefactureerde kosten: Beheervergoeding 488 421
Verschil: 2.416 2.436
betreft: niet rechtstreeks gefactureerde kosten (onderdeel van beleggingsresultaten in de jaarrekening)    
 

Change layout to 1 column

Ontwikkeling totale beleggingskosten per categorie

Beleggingskosten naar categorie

    2019       2018    
                 
  Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   126   2,9   127   3,0
Staatsobligaties 67.666 28 4 0,6 56.556 25 5 0,6
Bedrijfsobligaties 59.970 61 10 1,4 55.372 72 13 1,7
Obligaties opkomende markten 14.759 36 25 0,8 11.867 30 26 0,7
Inflatiegerelateerd   12   0,3   17   0,5
Inflatiegerelateerde obligaties 1.273 11 83 0,2 31.306 15 5 0,4
Alternative inflation 26.860 1 1 0,1 1.930 2 11 0,1
Aandelen   304   6,9   207   5,1
Aandelen ontwikkelde landen 114.628 119 10 2,7 111.328 142 13 3,5
Aandelen opkomende landen 36.640 185 51 4,2 35.579 65 18 1,6
Alternatieve beleggingen   2.063   46,9   2.103   51,3
Vastgoed 44.441 281 63 6,4 40.084 270 67 6,6
Private equity 22.979 1144 498 26,0 20.208 1.186 587 28,9
Opportunity fund 1.076 -17 -156 -0,4 1.371 34 251 0,8
Grondstoffen 17.652 49 28 1,1 18.414 56 30 1,4
Infrastructuur 12.530 154 123 3,5 11.131 123 110 3,0
Hedgefondsen 20.019 452 226 10,3 18.579 434 234 10,6
Overlay   6   0,1   6   0,1
Overlay & overig -192 6   0,1 -3.588 6   0,1
Totaal beheer- en prestatievergoedingen 440.302 2.512   57,0 410.137 2.460   60,0
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers
bp per cat. worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het vermogen (NAV) van dezelfde categorie
bp v/h totaal worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het totale vermogen (NAV) van het fonds

Change layout to 2 columns

In bovenstaande tabel zijn de kosten opgenomen per beleggingscategorie. Om meer inzicht te geven in de hoogte van de kosten en de ontwikkeling in de loop van de tijd zijn daarnaast twee ratio’s berekend: “bp per cat.” en “bp vh totaal”. Bij de eerste (bp per categorie) worden de kosten van de betreffende beleggingscategorie afgezet tegen het vermogen (net asset value) van die betreffende beleggingscategorie. Hiermee wordt inzichtelijk hoe duur een beleggingscategorie is. Bij de tweede ratio (bp van het totaal) worden de kosten van de betreffende beleggingscategorie afgezet tegen het totale vermogen van het pensioenfonds. Deze ratio maakt duidelijk welke beleggingscategorie de grootste bijdrage heeft aan het totale kostenniveau.

Het kostenniveau van alternatieve beleggingen (46,9 bp, 2018: 51,3 bp) is hoger dan die van aandelen (6,9 bp, 2018: 5,1) en vastrentende waarden (2,9 bp, 2018: 3,0 bp), maar deze categorie biedt aanzienlijk betere rendementsperspectieven. Van illiquide beleggingen zijn de werkelijke kosten over het vierde kwartaal niet altijd tijdig beschikbaar. Als dat het geval is, zijn de werkelijke kosten tot en met het derde kwartaal opgenomen, aangevuld met schattingen voor het vierde kwartaal, gebaseerd op de werkelijke kosten van het vierde kwartaal van het jaar daarvoor.

Private equity en hedgefondsen zijn de asset-categorieën met de hoogste vergoedingen. Beide categorieën maken samen bijna 10% uit van de portefeuille, maar zijn verantwoordelijk voor 36,3 bp van de totale 57,0 bp aan vermogensbeheerkosten. Private equity behaalde na aftrek van kosten een nettorendement van 22,3% (2018: 15,4%), voor hedgefondsen bedroeg het netto rendement 7,1% (2018: 8,5%). Op basis van deze rendementen beoordeelt het bestuur het kostenniveau van deze categorieën als verantwoord en acceptabel.

Change layout to 1 column

Beheervergoedingen naar categorie

    2019       2018    
                 
  Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   128   2,9   113   2,8
Staatsobligaties 67.666 28 4 0,6 56.556 25 5 0,6
Bedrijfsobligaties 59.970 66 11 1,5 55.372 61 11 1,5
Obligaties opkomende markten 14.759 34 23 0,8 11.867 27 23 0,7
Inflatiegerelateerd   12   0,2   17   0,5
Inflatiegerelateerde obligaties 1.273 11 10 0,2 31.306 15 14 0,4
Alternative inflation 26.860 1 1 0,0 1.930 2 11 0,1
Aandelen   194   4,5   197   4,8
Aandelen ontwikkelde landen 114.628 108 10 2,5 111.328 110 10 2,7
Aandelen opkomende landen 36.640 86 24 2,0 35.579 87 24 2,1
Alternatieve beleggingen   1.113   25,3   1.037   25,2
Vastgoed 44.441 208 48 4,7 40.084 200 50 4,8
Private equity 22.979 444 190 10,1 20.208 386 192 9,4
Opportunity fund 1.076 20 164 0,5 1.371 24 173 0,6
Grondstoffen 17.652 47 27 1,1 18.414 50 27 1,2
Infrastructuur 12.530 103 86 2,4 11.131 103 92 2,5
Hedgefondsen 20.019 290 145 6,6 18.579 274 148 6,7
Overlay   6   0,1   6   0,1
Overlay & overig -192 6   0,1 -3.588 6   0,1
Totaal beheervergoedingen 440.302 1.454   33,0 410.137 1.370   33,4
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers
bp per cat. worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het vermogen (NAV) van dezelfde categorie
bp v/h totaal worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het totale vermogen (NAV) van het fonds

Change layout to 2 columns

De beheervergoedingen per beleggingscategorie vertoonden in 2019 geen grote verschuivingen. Voor alternatieve beleggingen stegen de beheervergoedingen (in euro’s) vooral door uitbreiding van de private equity-portefeuille.

 

Al met al zijn de totale beheerkosten gestegen, in basispunten gemeten is echter sprake van een daling.

Change layout to 1 column

Ontwikkeling prestatievergoedingen

Prestatievergoedingen naar categorie

    2019       2018    
                 
  Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   -3   -0,1   14   0,3
Staatsobligaties 67.666 - - - 56.556 0    
Bedrijfsobligaties 59.970 -5 -1 -0,1 55.372 10 2 0,2
Obligaties opkomende markten 14.759 2 1 0 11.867 4 3 0,1
Inflatiegerelateerd   -   -   0   0,0
Inflatiegerelateerde obligaties 1.273 - - - 31.306 0   0,0
Alternative inflation 26.860 - - - 1.930 0   0,0
Aandelen   110   2,5   10   0,3
Aandelen ontwikkelde landen 114.628 10 1 0,2 111.328 32 3 0,8
Aandelen opkomende landen 36.640 99 27 2,3 35.579 -22 6 -0,5
Alternatieve beleggingen   951   21,6   1.066   26,0
Vastgoed 44.441 73 17 1,7 40.084 70 18 1,6
Private equity 22.979 699 304 15,9 20.208 800 396 19,5
Opportunity fund 1.076 -37 -345 -0,8 1.371 11 78 0,3
Grondstoffen 17.652 2 1 0,0 18.414 6 3 0,2
Infrastructuur 12.530 51 41 1,2 11.131 20 18 0,5
Hedgefondsen 20.019 163 81 3,7 18.579 159 86 3,9
Overlay   -   -   0   0,0
Overlay & overig -192 -   - -3.588 0   0,0
Totaal prestatievergoedingen 440.302 1.058   24,0 410.137 1.090   26,6
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers
bp per cat. worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het vermogen (NAV) van dezelfde categorie
bp v/h totaal worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het totale vermogen (NAV) van het fonds

Change layout to 2 columns

In 2019 daalden de totale prestatievergoedingen, in absolute bedragen en in basispunten. Opvallend zijn de negatieve prestatievergoedingen voor vastrentende waarden (€ -3 miljoen) en Opportunity fund (€ - 37 miljoen). Het naar beneden bijstellen van de reservering voor te betalen prestatievergoedingen heeft zich in 2019 bij deze asset-categorieën voorgedaan. Hierdoor is een deel van de tot en met 2018 opgebouwde reservering voor uit te betalen vergoedingen in 2019 teruggedraaid, wat resulteert in een negatieve prestatievergoeding over 2019. Er is sprake van een lagere prestatievergoedingen bij private equity en een hogere vergoeding voor aandelen opkomende landen. Dit is toe te schrijven aan het feit dat de performance van beide categorieën respectievelijk lager en hoger waren dan de benchmark.

Change layout to 1 column

Ontwikkeling transactiekosten

Transactiekosten naar categorie

     
  Transactiekosten 2019 € mln Transactiekosten 2018 € mln
Vastrentende waarden    
Staatsobligaties 20 11
Bedrijfsobligaties 78 74
Obligaties opkomende markten 49 33
Inflatiegerelateerd    
Inflatiegerelateerde obligaties 11 19
Alternative inflation - -
Aandelen    
Aandelen ontwikkelde landen 36 43
Aandelen opkomende landen 17 38
Alternatieve beleggingen    
Vastgoed 21 22
Private equity - 4 3
Hedgefondsen 81 87
Grondstoffen 7 6
Opportunity fund 1 -
Infrastructuur 28 8
Overlay    
Overlay & overig 47 53
Totaal 392 397
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers

Change layout to 2 columns

De transactiekosten zijn in 2019 per saldo met € 5 miljoen gedaald, met de categorieën Aandelen als grootste daler en Infrastructuur en Obligaties opkomende markten als grootste stijger. De transactiekosten voor illiquide beleggingen zijn voornamelijk advieskosten van externe partijen. Door een toename van investeringen in de reële economie zoals infrastructuur zijn in 2019 meer advieskosten gemaakt, wat noodzakelijk is om verantwoord te kunnen investeren in concrete projecten. Voor beleggingen in vastrentende waarden bestaan de transactiekosten grotendeels uit impliciete spreadkosten. Doordat in 2019 meer aan- en verkooptransacties hebben plaatsgevonden, zijn de spreadkosten gestegen.

 

Marktvergelijking van de vermogensbeheerkosten

Het bestuur toetst hoe de vermogensbeheerkosten van ABP zich verhouden tot die van andere nationale en internationale fondsen en of deze effectief zijn aangewend. Hiertoe volgt ABP jaarlijks de benchmarkonderzoeken van CEM, waarbij we ons bewust zijn van de beperkingen die benchmarkonderzoek met zich meebrengt.
Voor de marktvergelijking van de vermogensbeheerkosten maken we graag een vergelijking met onze global peers, gezien onze omvang en activiteiten. Bij de benchmark voor performance maken wij de vergelijking met onze Nederlandse peers vanwege de regelgeving waar Nederlandse pensioenfondsen mee te maken hebben.

 

Uit het laatste CEM-rapport van 2018 (de cijfers over 2019 zijn bij het opstellen van dit jaarverslag nog niet beschikbaar) blijkt dat de kosten exclusief transactiekosten van ABP licht hoger zijn dan wat onze global peers betalen voor een vergelijkbare asset-mix. Dit komt met name door meer dan gemiddelde uitbesteding via 'fund of fund' bij private equity en hedgefondsen en externe actieve mandaten. In 2019 hebben we, zoals toegelicht, verdere stappen gezet om meer van deze activiteiten door APG te laten doen. De gemiddelde vijfjaars-outperformance (0,7%) is nog steeds hoog in vergelijking met onze Nederlandse peers (0,0%) en global peers (0,4%). Wij beoordelen deze balans per saldo als positief.