Terug naar boven

Enkelvoudige jaarrekening

5.1.1

Enkelvoudige balans

na bestemming van het saldo van baten en lasten, in € mln

  31-12-2019 31-12-2018
ACTIVA    
     
- vastgoedbeleggingen 63.530 52.171
- aandelen 192.405 155.621
- vastrentende waarden 176.459 162.154
- derivaten 43.601 31.428
- overige beleggingen 53.534 48.429
Beleggingen (1) 529.529 449.803
     
Overige activa (2) 1.944 1.888
     
Totaal activa 531.473 451.691
     
     
     
PASSIVA    
     
- algemene reserve -10.711 -12.037
- bestemmingsreserves 1.060 1.025
Eigen vermogen (3) -9.651 -11.012
     
Voorziening pensioenverplichtingen (VPV) (4) 476.330 411.008
     
- ontvangen zekerheden 22.144 15.986
- shortposities 272 115
- kortgeld o/g 19.206 15.382
- derivaten 21.244 18.924
Passiva beleggingen-gerelateerd (5) 62.866 50.407
     
Schulden en overige passiva (6) 1.928 1.288
     
Totaal passiva 531.473 451.691
 

5.1.2

Enkelvoudige staat van baten en lasten

in € mln

  2019 2018
BATEN    
Premiebijdragen (netto) (7) 11.041 10.267
     
- beleggingsresultaten (bruto) 67.894 -8.434
- af: kosten vermogensbeheer -488 -421
Beleggingsresultaten (netto) (8) 67.406 -8.855
Totaal baten 78.447 1.412
LASTEN    
Pensioenuitkeringen (9) -11.597 -11.110
     
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen:    
- pensioenopbouw -13.484 -12.517
- rentetoevoeging 967 1.019
- onttrekking voor pensioenuitkeringen 11.664 11.185
- resultaat op actuariële grondslagen -1.076 -447
- onttrekking voor kosten pensioenbeheer 75 82
- ontwikkeling marktrente -64.330 -16.175
- wijziging actuariële grondslagen 660 -1.990
- wijziging uit hoofde van overdracht van rechten 72 -536
- overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen 130 23
Totaal mutatie voorziening pensioenverplichtingen (10) -65.322 -19.356
Dekking uit kostenopslag pensioenpremies (11) 105 110
Saldo overdracht van rechten (12) 169 517
Kosten pensioenbeheer (netto) (13) -141 -145
Rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd -299 -315
Overige baten en lasten 0 -20
Totaal lasten -77.085 -30.319
SALDO BATEN EN LASTEN 1.361 -28.907
Bestemming van het saldo van baten en lasten:    
- onttrekking / toevoeging algemene reserve 1.326 -29.223
- toevoeging bestemmingsreserves 35 316
     
 

5.1.3

Enkelvoudig kasstroomoverzicht

in € mln

  2019 2018
BEGINSTAND GELDMIDDELEN 878 841
MUTATIES    
Kasstromen uit pensioenactiviteiten:    
- ontvangen premies 11.146 10.657
- ontvangen in verband met overdracht van rechten (12) 261 820
- betaalde pensioenuitkeringen (9) -11.597 -11.110
- betaald in verband met overdracht van rechten (12) -92 -303
- betaalde kosten pensioenbeheer (13) -141 -145
     
Kasstroom uit pensioenactiviteiten -423 -81
     
Kasstromen uit beleggingsactiviteiten:    
- verkopen en aflossingen van beleggingen (1) 88.998 43.608
- verstrekkingen en aankopen van beleggingen (1) -92.189 -38.704
- directe beleggingsopbrengsten (8) 8.009 7.532
- indirecte gerealiseerde resultaten uit derivaten en valutaresultaten -9.688 -7.857
- betaalde kosten beleggingen (8) -488 -421
- ontvangen zekerheden 6.157 -1.117
- overige mutaties -160 -2.923
     
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten 639 118
     
EINDSTAND GELDMIDDELEN (14) 1.094 878
 

5.1.4 Toelichtingen algemeen

5.1.4.1

5.1.4.1.1 Kenmerken van de pensioenregelingen
5.1.4.1.1.1 Inleiding

ABP is het pensioenfonds voor mensen die werken bij overheid, onderwijs en aangewezen en toegelaten 'lichamen', alsmede de bedrijfstak luchthavens. De inhoud van de regeling wordt bepaald door de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). Pas nadat ABP de door de Pensioenkamer overeengekomen regelingen heeft getoetst op financiële haalbaarheid, uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid draagt ABP zorg voor de uitvoering.

De rechtsverhouding tussen ABP en de aangesloten werkgevers is vastgelegd in het uitvoeringsreglement, dat is afgesloten tussen ABP en de deelnemers in het pensioenreglement.

Het uitvoeringsreglement bevat onder meer bepalingen over verplichte en vrijwillige aansluiting, te verstrekken gegevens en informatie en de afdracht van premies. Het pensioenreglement bevat de bepalingen omtrent de pensioenaanspraken en pensioenrechten. Voor de inhoud van beide reglementen verwijzen wij u naar de website van het fonds (www.abp.nl). In deze paragraaf gaan we in hoofdlijnen in op de kenmerken van de pensioenregelingen.

5.1.4.1.1.2 Algemeen

Pensioen wordt opgebouwd gedurende het werkzame leven en verstrekt bij stoppen met werken, arbeidsongeschikt raken of aan de nabestaanden bij overlijden. De pensioenopbouw wordt fiscaal niet als loon gezien en is dus belastingvrij. De pensioenuitkering wordt belast (zogenoemde omkeerregeling), met uitzondering van het netto pensioen, waarbij de uitkering belastingvrij is. De opgebouwde rechten zijn onvoorwaardelijke verplichtingen van het fonds aan de deelnemers. Het fonds houdt alle risico’s in eigen beheer. Van herverzekering is geen sprake. Bij beëindiging van de deelneming stopt de pensioenopbouw.

Voor wachtgelders, deelnemers met recht op een ontslaguitkering, WW-ers en arbeidsongeschikten is sprake van gedeeltelijke voortzetting van de pensioengeldige tijd. Bij arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval of beroepsziekte geldt een voortzetting van de pensioengeldige tijd van maximaal 100%.

De jaarlijkse opbouw is afhankelijk van de volgende vijf factoren: het opbouwpercentage, de franchise, het pensioengevend inkomen, de meetellingswaarde en de deeltijdfactor. Het pensioengevend inkomen bestaat uit het vaste salaris, vaste toelagen en pensioengevende variabele toelagen uit het voorgaande kalenderjaar. De meetellingswaarde betreft het percentage waarmee het pensioenproduct wordt opgebouwd. De pensioenpremies worden geheven over het inkomen boven de franchise (over het eerste deel van het inkomen, zijnde de franchise, wordt al AOW-premie ingehouden) en afgedragen door de werkgevers. De franchise voor de premie kan anders zijn dan de franchise voor de opbouw van nieuwe aanspraken. Deze laatste is namelijk inkomensafhankelijk, terwijl de premiefranchise voor iedereen gelijk is. De werkgevers nemen volgens de afspraken uit de Pensioenovereenkomst 70% van de premie (ouderdoms- en nabestaandenpensioen en AOP) voor hun rekening en houden 30% van de premie in op het inkomen van de werknemers. Voor de premie inkoop voorwaardelijk pensioen geldt een andere verdeling.

Op individueel en collectief niveau kunnen met inachtneming van het pensioenreglement, afspraken worden gemaakt over het pensioengevend zijn van bepaalde variabele inkomensbestanddelen. Op basis van wettelijke bepalingen zijn sommige inkomensbestanddelen niet pensioengevend.

Vanaf 1 januari 2019 is het pensioengevend salaris gemaximeerd op € 107.593 (dit bedrag wordt jaarlijks via een ministeriële regeling aangepast) bij een volledige dienstbetrekking.

ABP wil waar mogelijk de ingelegde pensioenpremies maatschappelijk verantwoord beleggen en optimaal laten renderen. Het beleggingsbeleid is er op gericht om op lange termijn voldoende rendementen te behalen zodat de pensioenaanspraken en pensioenrechten, met behoud van een betaalbaar premieniveau én een aanvaardbaar risico, kunnen worden geïndexeerd.

Indexatie leidt tot een verhoging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten en daarmee tot een verhoging van de onvoorwaardelijke verplichtingen van het fonds. Per jaar beoordeelt ABP of indexatie kan plaatsvinden, waarbij de prijsontwikkeling (CPI) de indexatieambitie is. Indexatie wordt alleen verstrekt als de financiële positie van het fonds dit toelaat. Het verlenen van na-indexatie ter compensatie van eerder niet volledig verleende indexatie of doorgevoerde verlagingen is onderdeel van de indexatie-ambitie. Bij een ontoereikende financiële positie van het fonds moeten de pensioenen in het uiterste geval nominaal worden verlaagd.

5.1.4.1.1.3 De pensioenproducten

De pensioenproducten betreffen ouderdomspensioen (OP), nabestaandenpensioen (NP) (NP bestaat uit partnerpensioen (PP) en wezenpensioen), arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP, invaliditeitspensioen en herplaatsingstoelagen) en individuele vrijwillige aanvullingen

5.1.4.1.1.4 Ouderdomspensioen (OP)

De pensioenregeling voor ouderdomspensioen is een middelloonregeling. Elk jaar wordt over het pensioengevend inkomen een stukje pensioen opgebouwd. De pensioenopbouw leidt tot een levenslang recht op pensioen. Tot 2006 opgebouwde aanspraken op flexibel pensioen zijn actuarieel neutraal omgezet in aanspraken op ouderdomspensioen.

Deelnemers kunnen - binnen bepaalde bandbreedtes - op het moment van pensionering ervoor kiezen het pensioen, al dan niet in deeltijd, eerder of later te laten ingaan, pensioenen uit te ruilen (bijvoorbeeld tussen OP en PP) en tijdelijk een hoger of lager pensioen te ontvangen. Daarnaast kunnen deelnemers er voor kiezen om na uitdiensttreden extra pensioen op te bouwen of de regeling vrijwillig voort te zetten.

5.1.4.1.1.5 Nabestaandenpensioen

De opbouw van het partnerpensioen vindt plaats op kapitaaldekking ter grootte van 70% van het ouderdomspensioen, ongeacht het moment van overlijden. Hierdoor ontstaat er geen verschil meer in partnerpensioen voor en na AOW leeftijd. Daarnaast kan er in geval van overlijden recht bestaan op wezenpensioen. Het recht op wezenpensioen bestaat tot een maximale leeftijd van 25 jaar van de wees.

5.1.4.1.1.6 Arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) en premievrije opbouw bij arbeidsongeschiktheid (PVAO)

Gedurende het recht op AAOP is er recht op PVAO naar rato van de arbeidsongeschiktheid (mits deze niet het gevolg is van een dienstongeval of beroepsziekte) van maximaal 50%. Voor de vaststelling van de hoogte van het AAOP wordt uitgegaan van het WIA-dagloon en de mate van arbeidsongeschiktheid.

5.1.4.1.1.7 Inkoop voorwaardelijk pensioen

Bij de afschaffing van VUT en prepensioen hadden werkgevers en werknemers in 2006 en 2007 de mogelijkheid om arbeidsvoorwaardelijke afspraken te maken over extra pensioenopbouw over verstreken dienstjaren. In 2006 is in de regeling opgenomen de inkoop voorwaardelijk pensioen over perioden voor 2006 waarover minder pensioen is opgebouwd dan fiscaal toegestaan. Dit betekent dat de aanspraken voorwaardelijk zijn en pas onvoorwaardelijk worden op 1 januari 2023 of bij pensionering voor die datum. De regeling geldt alleen voor deelnemers die vanaf 31 december 2005 onafgebroken werknemer zijn en geboren zijn op of na 1 januari 1950 of geboren voor 1 januari 1950 die op 1 januari 2006 geen recht heeft gehad op een FPU-uitkering.

5.1.4.1.1.8 Vrijwillige producten

Het pensioenreglement bevat bepalingen die verschillende vrijwillige mogelijkheden bieden om extra OP/NP op te bouwen, dan wel de regeling OP/NP na uitdiensttreding vrijwillig voort te zetten.

5.1.4.1.1.9 Nettopensioen

Als het inkomen hoger is dan het maximale pensioengevende salaris (vanaf 1 januari 2019 vastgesteld op € 107.593 en wordt jaarlijks via een ministeriële regeling aangepast) dan is deelname aan de nettopensioenregeling mogelijk. Deze beschikbare-premieregeling zorgt voor aanvullende pensioenopbouw. De hoogte van dit aanvullende pensioen wordt bepaald door de inleg (premie), de rendementen daarop en de inkooptarieven (met name de variabele opslag en rente zijn van invloed) op pensioendatum. De premie wordt betaald vanuit het netto salaris en de pensioenregeling is vrijwillig.

5.1.4.1.1.10 Uitruilmogelijkheden

De pensioenregeling kent verschillende uitruilmogelijkheden. Zo kan bij ingang van het ouderdomspensioen (OP) uitruil plaatsvinden met het partnerpensioen, of omgekeerd. Verder kan het OP (opgebouwd tot 2019) op het moment van einde deelnemerschap (anders dan door ingang OP of overlijden) worden uitgeruild tegen het recht op partnerpensioen.

5.1.4.1.1.11 Waardeoverdracht

Als een deelnemer in dienst treedt bij een niet bij ABP aangesloten werkgever kan het eerder bij ABP opgebouwde pensioen worden meegenomen naar een ander pensioenfonds. Dan krijgt hij of zij later geen pensioen van ABP, maar van het fonds waaraan het opgebouwde pensioen is overgedragen. Het omgekeerde kan ook. Als een deelnemer in dienst treedt bij een bij ABP aangesloten werkgever, kan het eerder bij een ander pensioenfonds opgebouwde pensioen worden meegenomen naar ABP. De actuele voorwaarden voor een waardeoverdracht zijn op de website van ABP te vinden. 

5.1.4.1.1.12 Pensioenregeling beroepsmilitairen

Beroepsmilitairen hebben een eigen pensioenregeling, die eveneens wordt uitgevoerd door ABP. Werknemers met de status van beroepsmilitair, gewezen beroepsmilitairen met recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen en gewezen beroepsmilitairen met recht op een ontslag- of werkloosheidsuitkering nemen deel aan deze sectorale regeling. Het burgerpersoneel van Defensie neemt deel in de middelloonregeling van ABP, de pensioenregeling voor beroepsmilitairen is in 2019 aangepast naar een defensie specifieke middelloonregeling.

De militaire vakbonden en het Ministerie van Defensie, de sociale partners, hebben op 30 juli 2019 een akkoord bereikt over een nieuwe pensioenregeling voor militairen. Het gaat om een defensie specifieke middelloonregeling, die met terugwerkende kracht per 1 januari 2019 wordt ingevoerd. Vanaf 1 januari 2019 geldt een hoger opbouwpercentage. De beroepsmilitairen bouwen bovendien over een groter deel van het salaris pensioen op. Het pensioen dat tot 1 januari 2019 is opgebouwd, blijft ongewijzigd. In de middelloonregeling wordt het pensioen berekend op basis van het gemiddelde inkomen. Voor de meeste militairen betekent dit een verbetering. Voor een kleine groep militairen, met een sterk stijgende carrière op latere leeftijd, kan nadeel ontstaan. Deze groep wordt hiervoor gecompenseerd door de werkgever. In de nieuwe regeling is ook een aantal andere belangrijke wijzigingen opgenomen. Zo worden er meer toelagen pensioengevend, wijzigt het nabestaandenpensioen en wordt de pensioenleeftijd gelijk aan de AOW-leeftijd. In een aantal situaties blijft de pensioenleeftijd 65 jaar.  

De werkgevers nemen volgens de afspraken uit de Pensioenovereenkomst 70% van de premie voor hun rekening en 30 % van de premie wordt ingehouden op het inkomen van de werknemers. De premie van de 50% pensioengevendheid van de VVHO-toelage en van de 50% pensioenopbouw tijdens de inverdientijd komt voor rekening van de werkgever.

5.1.4.1.2 Grondslagen algemeen

De stichting pensioenfonds ABP, statutair gevestigd te Heerlen, met Kamer van Koophandel-nummer 41074000 heeft deze jaarrekening opgesteld op basis van in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening, zoals opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Deze jaarrekening is opgesteld uitgaande van de continuïteitsveronderstelling.

In de balans hebben de pensioenverplichtingen en de daartegenover staande beleggingen hoofdzakelijk een langlopend karakter. De post passiva beleggingen gerelateerd heeft ook een langlopend karakter, maar wordt op basis van de richtlijnen separaat in de balans gepresenteerd. De overige balansposten zijn onder overige activa en overige passiva verantwoord, met het eigen vermogen als sluitpost.

Alle baten en lasten zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben. Mutaties in het eigen vermogen betreffen uitsluitend de verwerking van het saldo van baten en lasten. De baten en lasten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen.

De grondslagen van waardering en resultaatbepaling van de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening zijn gelijk. De bedragen zijn afgerond in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld. Deze jaarrekening heeft betrekking op het boekjaar 2019, dat is geëindigd op balansdatum 31 december 2019.

5.1.4.1.3 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

 

Salderingen

Een financieel actief en een financiële verplichting worden uitsluitend gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.

Schattingen

Bij het opstellen van de jaarrekening is gebruik gemaakt van schattingen en veronderstellingen die van invloed zijn op gerapporteerde activa, passiva, baten en lasten. Dit is met name het geval bij het bepalen van de voorziening pensioenverplichtingen en bij de waardering van niet-beursgenoteerde beleggingen. Achteraf kan blijken dat de gehanteerde waarde afwijkt van de feitelijke waarde. 

Verwerking

Activa en passiva zijn, voor zover niet anders vermeld, gewaardeerd tegen actuele waarde. Een actief wordt in de balans opgenomen als het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar het pensioenfonds zullen vloeien en de waarde van het actief betrouwbaar kan worden vastgesteld. Activa die hier niet aan voldoen worden niet in de balans verwerkt, maar worden aangemerkt als niet in de balans opgenomen activa. Een verplichting wordt in de balans opgenomen als het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en als de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Verplichtingen die hier niet aan voldoen worden niet in de balans verwerkt, maar worden aangemerkt als niet in de balans opgenomen verplichtingen.

Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen als een vermeerdering van het economisch potentieel heeft plaatsgevonden, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, en als de omvang daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Lasten worden verwerkt als een vermindering van het economisch potentieel heeft plaatsgevonden, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, en als de omvang daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Baten en lasten worden toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Indien een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot een actief of een verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.

Schattingswijzigingen

In juli 2019 is ABP actiever gaan communiceren omtrent het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen in geval van (gedeeltelijke) invalidering waardoor de verwachte instroom in arbeidsongeschiktheid zal toenemen. De berekeningsmethodiek van de IBNR is hierop aangepast waardoor de voorziening met € 0,8 miljard is toegenomen.
Daarnaast is in 2019 de stijging van de AOW-leeftijd gewijzigd (wetsvoorstel 'temporisering verhoging AOW-leeftijd'), en heeft het CBS in december 2019 een nieuwe sterfteprognose gepubliceerd. Op basis hiervan is de wettelijke AOW-leeftijd vastgesteld en de verwachte verdere stijging van de AOW-leeftijd ná 2025 is gebaseerd. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 0,9 miljard.

Een verdere toelichting is opgenomen in de toelichting op de post voorziening pensioenverplichtingen.

5.1.4.1.4 Grondslagen voor de omrekening van vreemde valuta

De waarde van de ultimo-standen van activa en passiva gehouden buiten de eurozone worden tegen de koersen per balansdatum omgerekend in euro's. De voor omrekening gehanteerde koersen zijn de World Markets Company-fixingkoersen (WM) van de laatste beursdag van het verslagjaar, 16 uur Londense tijd, zoals gepubliceerd via Reuters. De hieruit voortvloeiende omrekeningsverschillen worden in de post beleggingsresultaat verantwoord. Baten en lasten in vreemde valuta's worden omgerekend in euro's tegen de koersen per transactiedatum. Ook de verschillen tussen de transactiekoers en de koers van afwikkeling worden in het beleggingsresultaat opgenomen.

5.1.4.1.5 Grondslagen voor de waardering van activa en passiva
5.1.4.1.5.1 Beleggingen

Algemeen

Beleggingen worden tegen actuele waarde gewaardeerd. Al naar gelang de beschikbaarheid van objectieve gegevens gelden voor de bepaling van de actuele waarde achtereenvolgens de onderstaande waarderingsmethodieken. Hierbij wordt volgens een getrapte benadering te werk gegaan. Pas als een hoger gelegen methodiek niet toepasbaar blijkt wordt op de eerstvolgende waarderingsmethodiek overgegaan. De grondslagen gelden zowel voor beleggingen voor risico van het fonds als voor beleggingen voor risico van de deelnemer.

Mark-to-market
Onder normale marktomstandigheden wordt voor de waardering van de beleggingen gebruik gemaakt van prijzen, aangeleverd door onafhankelijke prijsleveranciers. Dit betreft niet alleen beursnoteringen, maar ook prijzen die op dagelijkse basis worden verstrekt door onafhankelijke prijsleveranciers.

Broker quotes
Zijn geen beursnoteringen of prijzen, aangeleverd door onafhankelijke prijsleveranciers, beschikbaar of worden deze gezien de marktomstandigheden als niet-realistisch beschouwd, dan wordt de actuele waardebepaling gebaseerd op ten minste drie door brokers opgestelde waarderingen.

Mark-to-model
Ontbreekt het aan beursnoteringen en aan prijzen, aangeleverd door onafhankelijke prijsleveranciers, of worden deze gezien de marktomstandigheden als niet-realistisch beschouwd en ontbreekt het ook aan broker quotes, dan wordt de actuele waarde benaderd op basis van door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen. Daarbij wordt rekening gehouden met risico's voor insolventie en illiquiditeit volgens een basis-, stress- en extreme stress-scenario.

De door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen inclusief de gehanteerde veronderstellingen worden periodiek, doch minimaal eens per kalenderjaar geëvalueerd door een externe specialist.

De waarderingsmodellen zijn op algemeen aanvaarde principes gebaseerd. Daarbij wordt op basis van marktparameters, zoals kredietwaardigheidsopslagen, gewerkt met de best mogelijke inschattingen van verwachte toekomstige kasstromen, die vervolgens verdisconteerd worden tegen passende rentecurves.

Ter inschatting van de volatiliteiten en correlaties wordt gebruik gemaakt van gegevens afkomstig uit openbare bronnen. Voor de inschatting van het kredietrisico wordt gebruik gemaakt van reference bonds. Standaarden zoals de interbancaire rentes en genoteerde rentecurves van swap en future markets staan aan de basis van de gehanteerde rentecurves.

De door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen worden met name gebruikt voor interest rate swaps, onderhandse leningen en hypotheekportefeuilles. Voor de interest rate swaps worden op basis van interest rates van prijsleveranciers zogenaamde discountcurves gecreëerd, die vervolgens gebruikt worden voor de verdiscontering van de toekomstige kasstromen. In het geval van ontvangen zekerheden zijn de risico’s geringer en wordt een lagere rentecurve gehanteerd. De kasstromen voor de vaste lange rente component volgen uit het contract en de kasstromen voor de variabele korte component zijn gebaseerd op van de markt afgeleide forward rates. Voor onderhandse leningen worden eveneens rentecurves van prijsleveranciers gebruikt. Daarbij wordt een variabele spread gehanteerd die afhankelijk is van de sector van de leningnemer. Tevens wordt rekening gehouden met een van de markt afgeleide inflatiecurve. Voor de hypotheekportefeuilles wordt een yieldcurve gehanteerd die gebaseerd is op consumententarieven met afslagen ten aanzien van de in de consumententarieven begrepen vergoeding voor verlopen optionaliteiten en vergoeding voor verstrekking en servicing van hypotheken.

Externe schattingen
Indien geen mark-to-market-, brokerquote- of mark-to-model-waardering voorhanden is, wordt de actuele waarde bepaald aan de hand van door externe partijen opgeleverde periodieke schattingen van de actuele waarderingen van de betreffende beleggingen. De categorie externe schattingen is onderverdeeld in beleggingen met en beleggingen zonder externe onafhankelijke toetsing.

Interne schattingen
Is geen betrouwbare informatie voorhanden die kan dienen als input voor de door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen, dan wordt de actuele waarde op basis van een eigen schatting bepaald. Zo mogelijk vindt een externe toets plaats, met name op de veronderstellingen.

De bovenstaande beschreven getrapte benadering van de waarderingsmethodieken wordt voor alle beleggingscategorieën toegepast.

Presentatie netto vlottend actief
Beleggingen worden gewaardeerd inclusief bijbehorende vorderingen, liquide middelen en schulden, indien deze niet voor andere doelen dan beleggingstransacties kunnen worden aangewend. Deze vorderingen en schulden worden na eerste verwerking tegen de geamortiseerde kostprijs gewaardeerd. Deze waarde komt gezien de korte looptijd nagenoeg overeen met de nominale waarde onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen voor het risico van oninbaarheid. Onderstaand wordt ingegaan op de meer specifieke invulling van de waardering per beleggingscategorie.

Vastgoedbeleggingen

Vastgoedbeleggingen worden tegen de actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen. Als deze niet beschikbaar zijn, vindt waardering tegen nettovermogenswaarde plaats. Kapitaalbelangen in vastgoedfondsen worden tegen net asset value gewaardeerd.

Aandelen

Beleggingen in aandelen, converteerbare obligaties en private equity worden tegen de actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen. 

Vastrentende waarden

Obligaties en indexobligaties worden tegen actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen en aangepast met de daaraan toewijsbare lopende rente. 

Hypothecaire leningen worden tegen actuele waarde gewaardeerd op basis van een model met een variabele spread voor het vervroegde aflossings-, krediet- en illiquiditeitsrisico. Bij spaarhypotheken wordt het opgebouwde spaarkapitaal in mindering gebracht.

Beleggingen in onderhandse leningen worden tegen actuele waarde gewaardeerd op basis van een model, zo nodig aangepast aan de hand van marktinformatie, aangevuld met een variabele spread voor de risico's van illiquiditeit en tegenpartij en gecorrigeerd voor de daaraan toewijsbare lopende rente. De actuele waarde van onderhandse leningen wordt bepaald door middel van het berekenen van de contante waarde van de gecontracteerde kasstromen van deze leningen, op basis van de bij de restantlooptijd passende marktrentes. Bij leningen betrekking hebbend op financial lease onroerend goed wordt met variabele spreads voor het illiquiditeits- en kredietrisico gerekend.

Derivaten

Derivatenposities worden ongesaldeerd tegen actuele waarde gewaardeerd. Voor bepaalde instrumenten, zoals over-the-counter-derivaten, wordt gebruik gemaakt van waarderingsmodellen waarin wordt uitgegaan van bepaalde veronderstellingen, bijvoorbeeld ten aanzien van kredietrisico en rentecurves. 

Overige beleggingen

Overige beleggingen betreffen beleggingen die niet aan de andere beleggingscategorieën kunnen worden toegewezen. Dit zijn voornamelijk commodities en absolute return strategies. Deze beleggingen worden tegen actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen. 

5.1.4.1.5.2 Overige activa

Deelnemingen zijn duurzame kapitaalbelangen waarin ABP invloed van betekenis kan uitoefenen op het zakelijke en financiële beleid. Deze deelnemingen worden, evenals joint-ventures, tegen nettovermogenswaarde gewaardeerd. Overige kapitaalbelangen zijn bij de beleggingscategorie gepresenteerd waarop ze betrekking hebben.

Bedrijfsgebouwen en overige materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs verminderd met lineaire afschrijvingen, berekend op basis van de geschatte economische levensduur, of tegen lagere bedrijfswaarde.

Na eerste verwerking worden de vorderingen en overlopende activa tegen de geamortiseerde kostprijs gewaardeerd. Deze waarde komt gezien de korte looptijd nagenoeg overeen met de nominale waarde, voor zover van toepassing onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen voor het risico van oninbaarheid.

Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd.

5.1.4.1.5.3 Eigen vermogen

Het eigen vermogen is naast een financieringsbron voor eventuele tegenvallers ook een bron voor mogelijke toekomstige indexaties. De wet schrijft voor dat pensioenfondsen minimaal een eigen vermogen van circa 5% van de voorziening pensioenverplichtingen aanhouden. Dit is te zien als een beklemde reserve. Zakt het eigen vermogen beneden dat niveau, dan moet aanvulling binnen de wettelijk voorgeschreven termijn plaatsvinden.

Bestemmingsreserves betreffen door het bestuur afgezonderde bestandsdelen van het eigen vermogen met een specifieke toekomstige bestemming. De bestemmingsreserves worden daarom niet meegeteld bij het bepalen van de dekkingsgraad. 

5.1.4.1.5.4 Voorziening pensioenverplichtingen

De voorziening pensioenverplichtingen (VPV) heeft een langlopend karakter. De voorziening voor risico van het pensioenfonds bestaat uit de aan middelloonregelingen en aan dienstjaren gerelateerde voorzieningen ouderdoms- en nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheids­pensioen (AAOP). De voorziening ABP nettopensioen en voorziening ABP ExtraPensioen zijn gezien hun geringe omvang opgenomen in de VPV, ook al betreffen dit voorzieningen voor risico deelnemers.

De VPV worden bepaald als de contante waarde van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. Indexaties dan wel verlagingen van de pensioenaanspraken en - uitkeringen worden verwerkt zodra definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De voorziening pensioenverplichtingen is bepaald op basis van de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank (DNB).

De actuariële grondslagen voor onder andere sterftekansen, overgangskansen en partnerfrequenties worden in beginsel driejaarlijks geactualiseerd en tussentijds geëvalueerd. De actuariële grondslagen voor het overgangsrecht privatisering ABP (OPA) worden jaarlijks geactualiseerd. Voor de sterfteprognose die gehanteerd wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverlichtingen wordt gebruik gemaakt van de sterfteprognosetafels van het Actuarieel Genootschap (AG).

Voor de waardering van de voorziening pensioenverplichtingen van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) wordt uitgegaan van de volgende actuariële grondslagen en methoden:

  • de nominale rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB ten behoeve van de bepaling van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Overal waar sprake is van (actuele nominale) marktrente wordt bedoeld de (actuele nominale) rentetermijnstructuur; 
  • de meest recente AG prognose tafels; 
  • geslachts- en leeftijdsafhankelijke tabellen voor de overgangskansen, gebaseerd op de waarnemingen op het eigen deelnemersbestand: sterfte (van deelnemers en van nabestaanden), invalideren, ontslag wegens tussentijds vertrek en ontslag wegens wachtgeld. In de sterftetabellen wordt rekening gehouden met een verwachte toekomstige sterftetrend. Daarnaast worden gebruikt: partnerfrequenties bij overlijden en promotie-indices;
  • de veronderstelling bij de vaststelling van de leeftijd van deelnemers en hun nabestaanden dat zij op 1 juli geboren zijn; 
  • parameters voor onder meer de gemiddelde pensioenopbouw per dienstjaar en het gemiddelde leeftijdsverschil tussen partners op het tijdstip van overlijden; 
  • inachtneming van tot het einde van het verslagjaar genomen bestuursbesluiten met betrekking tot wijzigingen, zoals toekenning van indexatie, per 1 januari van het er op volgende kalenderjaar;
  • er wordt rekening gehouden met de voorzienbare toekomstige aanpassing van de AOW leeftijd;
  • een kostenopslag voor toekomstige administratiekosten (toekennings- en excassokosten).
  • aparte geslachts- en leeftijdsafhankelijke correctiefactoren ervaringssterfte, arbeidsongeschiktheidskansen en man/vrouw verhoudingen voor de nettopensioen- regeling, afgestemd op de populatie. 

Voorziening ouderdoms- en nabestaandenpensioen

Het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen bij overlijden na 65 jaar zijn op kapitaalbasis gefinancierd. Het nabestaandenpensioen bij overlijden voor 65 jaar is, voor de diensttijd voor 1 juli 1999 en na 1 januari 2018 ook op kapitaalbasis gefinancierd. Het nabestaandenpensioen bij overlijden voor 65 jaar is, voor de diensttijd tussen 1 juli 1999 en 1 januari 2018 op risicobasis gefinancierd. Voor het nabestaandenpensioen wordt de 'onbepaalde partner'-methode gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van een gemiddeld leeftijdsverschil tussen de deelnemer en diens partner

Voorziening arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP)

De AAOP-regeling is een aanvulling op de WAO en vanaf 2006 op de WIA. Deze regeling voorziet in een arbeidsongeschiktheidspensioen in aanvulling op de WIA. Beide regelingen zijn geheel op risicobasis gefinancierd: de voorziening heeft alleen betrekking op ingegane pensioenen, inclusief nog niet gemelde, ingegane arbeidsongeschiktheidspensioenen (IBNR).

Voorziening ABP nettopensioen

De voorziening ABP nettopensioen is gelijk aan de actuele waarde van de in beleggingen omgezette inleg, die deelnemers voor eigen rekening en risico hebben gedaan met het oogmerk te komen tot een aanvulling op hun pensioen. Aanwending van de voorziening geschiedt door omzetting in een ander pensioenproduct en is alleen toegestaan bij pensionering, einde deelneming of overlijden.

De waarde van de in beleggingen omgezette inleg in de regeling ABP nettopensioen is inclusief behaalde beleggingsrendementen begrepen in het totaal van de beleggingen. De qua omvang gelijke verplichting aan de deelnemers aan de ABP nettopensioen-regeling is - als tegenhanger daarvan - opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. 

Voorziening ABP ExtraPensioen 

De voorziening ABP ExtraPensioen (AEP) is gelijk aan de actuele waarde van de in beleggingen omgezette inleg, die deelnemers voor eigen rekening en risico hebben gedaan met het oogmerk te komen tot een aanvulling op hun pensioen. Aanwending van de voorziening geschiedt door omzetting in een ander pensioenproduct en is alleen toegestaan bij pensionering, einde deelneming of overlijden.

De waarde van de in beleggingen omgezette inleg in de AEP-regeling is inclusief behaalde beleggingsrendementen begrepen in het totaal van de beleggingen. De qua omvang gelijke verplichting aan de deelnemers aan de AEP-regeling is - als tegenhanger daarvan - opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. ABP geeft de garantie dat een deelnemer bij aanwending minimaal zijn of haar inleg terugkrijgt. Daarbij wordt rekening gehouden met de tot het berekeningsmoment behaalde beleggingsrendementen op de in beleggingen omgezette inleg.

5.1.4.1.5.5 Passiva beleggingen-gerelateerd

De terugbetalingsverplichting uit hoofde van kortgeld o/g wordt gewaardeerd tegen actuele waarde. Na eerste verwerking wordt deze post gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Indien geen sprake is van agio/disagio, komt deze waarde nagenoeg overeen met de nominale waarde.

De waardering van de post derivaten met een negatieve actuele waarde is overeenkomstig de waardering van derivaten met een positieve actuele waarde. De shortposities en ontvangen zekerheden worden gewaardeerd tegen actuele waarde.

5.1.4.1.5.6 Schulden en overige passiva

Schulden en overige passiva worden tegen actuele waarde gewaardeerd. Na de eerste verwerking worden de schulden en overige passiva tegen de geamortiseerde kostprijs gewaardeerd. Deze waarde komt gezien de korte looptijd nagenoeg overeen met de nominale waarde.

5.1.4.1.6 Grondslagen voor de resultaatbepaling
5.1.4.1.6.1 Algemeen

De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorzieningen pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks in het resultaat verantwoord.

5.1.4.1.6.2 Premiebijdragen (netto)

Premiebijdragen zijn aan de periode toegerekend waarop zij betrekking hebben, na aftrek van de kostenopslag. De bijdragen worden vastgesteld op basis van door de werkgever te verstrekken informatie. Op basis van extrapolatie vindt een schatting plaats voor zover de van werkgevers te ontvangen informatie niet is verkregen. De daarin begrepen dekking voor incassokosten wordt bij het actuariële resultaat op kosten verantwoord.

5.1.4.1.6.3 Beleggingsresultaten (netto)

Beleggingsresultaten zijn na aftrek van kosten vermogensbeheer toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Directe en indirecte resultaten en (gefactureerde of nog te factureren) kosten van beleggingen worden afzonderlijk gepresenteerd. Onder de directe resultaten worden opbrengsten uit rente, dividend en dergelijke gepresenteerd. Dividend wordt op het moment van betaalbaarstelling verantwoord. Waardeveranderingen zijn indirecte beleggingsresultaten, deze worden aan de periode toegerekend waarin zij optreden. Waardeveranderingen zijn zowel ongerealiseerde als gerealiseerde waardeveranderingen.

5.1.4.1.6.4 Pensioenuitkeringen

Pensioenuitkeringen zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

5.1.4.1.6.5 Mutatie voorziening pensioenverplichtingen


Pensioenopbouw

De pensioenopbouw wordt aan de periode toegerekend waarin de opbouw van pensioenrechten plaatsvindt. Uitzondering hierop is de zogeheten diensttijddoortelling van de pensioenopbouw in geval van arbeidsongeschiktheid en overlijden. De last voor deze toekomstige pensioenopbouw wordt ineens genomen in het jaar waarin de deelnemer arbeidsongeschikt wordt of overlijdt.

Indexering

De indexeringslast wordt in de staat van baten en lasten opgenomen als een bestuursbesluit op of voor balansdatum is genomen.

Rentetoevoeging

De rentetoevoeging vindt plaats op basis van de nominale rente met een looptijd van 1 jaar zoals opgenomen in de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur van interbancaire swaps ultimo vorig boekjaar. De rente wordt over de beginstand en de mutaties gedurende het jaar berekend.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en kosten pensioenbeheer

De vrijval uit de voorziening pensioenverplichtingen voor pensioenuitkeringen en kosten pensioenbeheer wordt ten gunste van de staat van baten en lasten gebracht in de periode waarin de pensioenuitkeringen en kosten bij de berekening van deze voorziening waren voorzien.

Ontwikkeling marktrente

Het effect van de overgang van de 1 jaar verschoven rentetermijnstructuur ultimo vorig verslagjaar naar de rentetermijnstructuur ultimo huidig verslagjaar op de voorziening pensioenverplichtingen is ultimo verslagperiode bepaald en in de staat van baten en lasten opgenomen.

Wijziging actuariële grondslagen

Het effect van de aanpassing van de actuariële grondslagen op de voorziening pensioenverplichtingen wordt ultimo verslagperiode bepaald en in de staat van baten en lasten opgenomen.

Wijzigingen uit hoofde van overdracht van rechten

Wijzigingen uit hoofde van overdracht van rechten worden aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen

Overige mutaties in de voorziening pensioenverplichtingen worden aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

5.1.4.1.6.6 Dekking uit kostenopslag pensioenpremies

De dekking uit kostenopslag pensioenpremies is toegerekend aan de periode waarop deze betrekking heeft.

5.1.4.1.6.7 Saldo overdrachten van rechten

Bedragen uit hoofde van overdrachten/overnames van rechten zijn tegen de nominale waarde opgenomen en aan de periode toegerekend waarin ze zijn geëffectueerd.

5.1.4.1.6.8 Kosten pensioenbeheer (netto)

De netto kosten van pensioenbeheer zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

5.1.4.1.6.9 Rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd

De rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

5.1.4.1.6.10 Overige baten en lasten

Overige baten en lasten zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

5.1.4.1.7 Grondslagen voor het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Kasstromen worden aan de kasstroom genererende activiteiten toegerekend. Alleen de liquide middelen van ABP (en geconsolideerde entiteiten) worden voor het kasstroomoverzicht meegenomen in de begin- en eindstand van de geldmiddelen. Liquide middelen in fondsen voor gemene rekening (FGR’s) maken hier geen onderdeel van uit.

Ontvangsten en uitgaven in vreemde valuta's uit hoofde van beleggingsactiviteiten worden omgerekend in euro's tegen de koersen per transactiedatum. De verschillen tussen de transactiekoers en de koers van afwikkeling worden in de post beleggingsresultaten (netto) opgenomen. Voor beleggingen in het buitenland gelden dezelfde voorschriften.

Alle ontvangsten en uitgaven uit hoofde van pensioenactiviteiten vinden plaats in euro's waardoor er bij deze activiteiten geen sprake is van valutakoersverschillen.

5.1.4.1.8 Uitvoering

ABP heeft de uitvoering van de pensioenregeling grotendeels uitbesteed aan APG Groep NV, APG Rechtenbeheer NV en APG Asset Management NV. Hiervoor heeft ABP langlopende overeenkomsten gesloten. De belangrijkste taken die het uitvoeringsbedrijf voor het fonds verricht zijn pensioenbeheer, vermogensbeheer, communicatie en bestuursondersteuning.

5.1.5 Risicoparagraaf

In het hoofdstuk 'Risicomanagement' van het bestuursverslag zijn het risicobeleid en de opzet, het bestaan en de werking van de interne risicobeheersing- en controlesystemen beschreven. Deze paragraaf heeft een kwantitatiever karakter en gaat in op de ontwikkeling van de dekkingsgraad, de rekenrente, het minimaal vereist eigen vermogen, het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort per eind 2019. Daarna bespreken we de methodiek en de uitkomsten van de solvabiliteitstoets en het ingediende herstelplan. Tenslotte beschrijven we de samenstelling van de derivatenportefeuille, omdat deze een belangrijke rol in het beheersen van de risico's speelt.

5.1.5.1

5.1.5.1.1 Ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad en rekenrente in 2019

Onderstaand zijn een tweetal grafieken weergegeven. De eerste grafiek laat de ontwikkeling van de dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad over 2019 zien, vergeleken met het minimaal vereiste niveau. De ontwikkeling van de rekenrente is in de tweede grafiek weergegeven.

Beleidsdekkingsgraad

De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de afgelopen 12 maandelijkse dekkingsgraden. Vanwege de middeling heeft hij een stabieler verloop dan de dekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad speelt een belangrijke rol in het premie-, indexatie en herstelbeleid. De beleidsdekkingsgraad kwam eind 2019 uit op 95,8% (2018: 103,8%)

Reële dekkingsgraad

Bij een reële dekkingsgraad van 100% is het vermogen van ABP voldoende om volledig en toekomstbestendig te kunnen indexeren. Om deze dekkingsgraad te bepalen, wordt de volledig toekomstbestendige indexatiegrens bepaald. De reële dekkingsgraad is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de toekomstbestendige indexatiegrens. Gebaseerd op prijsinflatie als ambitieniveau was de reële dekkingsgraad eind 2019 77,5% (2018: 84,9%). Voor de berekening zijn, overeenkomstig het besluit FTK, de nieuwe parameters voor de inflatieverwachting en het maximaal in te boeken rendement gebruikt.

5.1.5.1.2 Tekort ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen

De positie ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen wordt bepaald op basis van een algemene reserve die wordt berekend ten opzichte van de beleidsdekkingsgraad. In het afgelopen jaar is de dekkingsgraad van 97,1% naar 97,8% gestegen. De mutatie van de dekkingsgraad werkt vertraagd door in de ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad. Dit komt doordat de beleidsdekkingsgraad gelijk is aan het gemiddelde van de afgelopen 12 maandelijkse dekkingsgraden. Zowel de dekkingsgraad als de beleidsdekkingsgraad bevonden zich eind 2019 onder de minimaal vereiste waarde. De volgende tabel geeft inzicht in de positie ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen.

Omvang tekort ten opzichte van minimaal vereist eigen vermogen in € mln 31-12-2019 31-12-2019
     
Berekende algemene reserve (ten opzichte van beleidsdekkingsgraad) -20.244 -4,2%
Af: Minimaal vereist eigen vermogen 19.964 4,2%
Tekort t.o.v. berekende algemene reserve -40.208 -8,4%
 

Het minimaal vereiste eigen vermogen wordt vastgesteld volgens artikel 11 van het Besluit FTK en bedraagt per eind 2019 4,2% van de verplichtingen, zijnde € 20,0 miljard. Ultimo 2019 is er sprake van een tekort ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen. Er is sprake van een tekortsituatie aangezien de algemene reserve wordt berekend ten opzichte van de beleidsdekkingsgraad en deze berekende algemene reserve -€ 20,2 miljard bedraagt. De algemene reserve bedraagt ultimo 2019 € 10,7 miljard negatief en ligt hiermee ook onder het minimaal vereist eigen vermogen.

5.1.5.1.3 Herstelplan

Eind 2019 was de beleidsdekkingsgraad lager dan de vereiste dekkingsgraad van de strategische portefeuille. Daarom heeft ABP vóór 1 april 2020 een herstelplan moeten indienen. Het herstelplan toonde aan dat de beleidsdekkingsgraad onder de gehanteerde aannames tijdig kon toegroeien naar het niveau van het vereist eigen vermogen. In 2019 waren geen aanvullende maatregelen nodig.

5.1.5.1.4 Solvabiliteitstoets

Pensioenfondsen vallen onder het Financieel Toetsingskader (FTK, onderdeel van de Pensioenwet) en staan onder toezicht van DNB. Het FTK voorziet in een solvabiliteitstoets waarmee wordt vastgesteld welke dekkingsgraad een fonds moet hebben, wil een combinatie van binnen het FTK vastgelegde schokken leiden tot een dekkingsgraad van 100%. Bij deze dekkingsgraad wordt voldaan aan de norm van het vereist eigen vermogen. Op grond van het FTK is de omvang van de voorgedefineerde schokken zodanig vastgesteld dat deze met een frequentie van eens in de veertig jaar, ofwel met een kans van 2,5% per jaar, optreden. De norm van het vereist eigen vermogen is redelijk constant over de tijd en bewoog gedurende het jaar rondom de 127%. De fluctuatie wordt voor een groot gedeelte veroorzaakt door veranderingen in de marktrente.

De door DNB vastgestelde risicofactoren zijn:

  • S1 renterisico
  • S2 zakelijkewaardenrisico
  • S3 valutarisico
  • S4 grondstoffenrisico
  • S5 kredietrisico
  • S6 verzekeringstechnisch risico
  • S7 liquiditeitsrisico
  • S8 concentratierisico
  • S9 operationeel risico
  • S10 actief risico.

Om het vereist eigen vermogen te berekenen worden eerst de voorgedefinieerde schokken die samenhangen met de risicofactoren S1 tot en met S6 en S10 bepaald. Vervolgens worden deze met behulp van de zogenaamde wortelformule samengevoegd tot een totaalschok op de dekkingsgraad. De wortelformule houdt rekening met het feit dat de schokken niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd zullen optreden, zodat de totaalschok kleiner is dan de som van de afzonderlijke schokken (het diversificatie-effect). De norm van het vereist eigen vermogen is zodanig gedefinieerd dat toepassing van de gecombineerde schok leidt tot een dekkingsgraad van 100%. De uitkomst fluctueert in de tijd doordat zij van de marktomstandigheden (zoals rente en credit spreads) afhangt. Bijsturing van de portefeuille in combinatie met risicorestricties zorgen er echter voor dat de dekkingsgraad in de buurt van die van de strategische portefeuille blijft. In het standaardmodel worden het liquiditeitsrisico (S7), het concentratierisico (S8) en het operationeel risico (S9) gelijk gesteld aan nul. Op grond van het gevoerde beleid is geoordeeld dat er voor deze risico's geen extra vereist eigen vermogen nodig is.

5.1.5.1.5 Vermogenspositie ten opzichte van vereist eigen vermogen

Uit de solvabiliteitstoets blijkt dat per eind 2019 sprake is van een tekort ten opzichte van de wettelijke eis: het aanwezige eigen vermogen ligt onder het niveau van het vereist eigen vermogen. Onderstaande tabel geeft de uitkomsten van de standaardtoets op de strategische portefeuille weer, gemeten per eind 2019. Voor de bepaling van de schokken is uitgegaan van de situatie waarin de dekkingsgraad voldoet aan de norm van het vereist eigen vermogen.

Omvang tekort ten opzichte van vereist eigen vermogen in € mln en als percentage van de voorzieningen 31-12-2019 31-12-2019 31-12-2018 31-12-2018
         
Risico        
         
S1 renterisico 13.262 2,8% 19.842 4,8%
S2 zakelijkewaardenrisico 101.432 21,3% 89.837 21,9%
S3 valutarisico 36.614 7,7% 31.324 7,6%
S4 grondstoffenrisico 10.521 2,2% 8.010 1,9%
S5 kredietrisico 21.327 4,5% 17.779 4,3%
S6 verzekeringstechnisch risico 15.195 3,2% 12.823 3,1%
S10 actief risico 12.417 2,6% 11.155 2,8%
         
Subtotaal van alle risico's 210.768 44,3% 190.770 46,4%
Af: diversificatie-effect -83.406 -17,5% -74.926 -18,2%
Vereist eigen vermogen 127.362 26,8% 115.844 28,2%
         
Af: berekende algemene reserve (ten opzichte van beleidsdekkingsgraad) -20.244 -4,3% 15.653 3,8%
Tekort t.o.v. berekende algemene reserve -147.606 -31,1% -100.191 -24,4%
 

Uitgedrukt als percentage van de technische voorzieningen, is het vereist eigen vermogen sinds vorig jaar gedaald naar 26,8% van de verplichtingen. Het vereist eigen vermogen ultimo 2019 (€ 127,4 miljard) is op basis van de gemiddelde normportefeuille 2020 berekend. De belangrijkste component van het vereist eigen vermogen is het zakelijke waardenrisico, gevolgd door het valutarisico.

5.1.5.1.6 (S1) Renterisico

Het renterisico is een afgeleide van de rentegevoeligheid van activa en passiva en een belangrijk element voor het mismatchrisico. Onder mismatchrisico wordt verstaan het verschil tussen de rentegevoeligheid van de beleggingen en de verplichtingen. Als de rente stijgt of daalt, heeft dit een effect op de beleggingen en de verplichtingen en dus op de dekkingsgraad.

Het renterisico S1 is over de jaren steeds kleiner geworden doordat de renteschok een vaste fractie is van de rentecurve, zodat een lagere rentestand leidt tot een lagere renteschok. Ook in de praktijk zal het renterisico bij lage rentestanden begrensd zijn, aangezien rentes niet al te ver beneden 0% kunnen zakken.In de S-toets wordt de rentecurve waartegen de verplichtingen worden verdisconteerd met een looptijdafhankelijk percentage omhoog en omlaag geschokt. Als uitgangspunt voor de berekening van het renterisico dient de meest nadelige impact op het eigen vermogen te worden gehanteerd. Veelal gaat het dan om een rentedaling. Om inzicht te bieden in de omvang van de schok, wordt hierna een aantal voorbeelden van de mee te nemen (looptijdafhankelijke) schokken benoemd. Bijvoorbeeld de vijfjaarsrente wordt met 33% omlaag geschokt, de tienjaarsrente met 25% en zeer lange rentes met 24%. Vervolgens wordt dezelfde schok in %-punten toegepast op de marktrentecurves waar de swaps en de vastrentende waarden mee worden gewaardeerd. 

Ruim de helft van de rentegevoeligheid van de beleggingen is afkomstig van de vastrentende waarden, de rest is afkomstig van de rentederivaten. De rentegevoeligheid wordt in de term 'duratie' uitgedrukt. De duratie is ongeveer gelijk aan de gemiddelde gewogen looptijd van alle kasstromen (coupons en aflossing van de hoofdsom) van de vastrentende waarden en rentederivaten. De duratie heeft de volgende interpretatie: als de marktrente met 1-%punt daalt, zal de stijging van de waarde van de portefeuille uitgedrukt in procenten gelijk zijn aan de duratie van de portefeuille.

Duratie 2019     Jaren Marktwaarde (in € mln) effect +1% (in € mln) effect -1% (in € mln) 2018 in jaren
               
Duratie beleggingen (exclusief renteswaps)     3,1 442.602 -11.292 13.516 3,1
Duratie beleggingen (inclusief renteswaps)     5,0 465.286 -19.375 23.368 5,1
Duratie verplichtingen     19,4 476.330 -80.234 107.237 18,4
 

De duratie voor de beleggingen wordt bepaald op basis van de Eonia marktcurve. Omdat de wettelijk voorgeschreven UFR rentecurve bepalend is voor de waarde van de verplichtingen wordt ook de duratie voor de verplichtingen bepaald op basis van deze rentecurve.

De duratie voor de totale beleggingen exclusief renteswaps bedraagt 3,1 jaar. Hierbij wordt het rente-effect op andere assets dan vastrentende waarden buiten beschouwing gelaten. Duratieverlenging van de beleggingen, via renteswaps, brengt de rentegevoeligheid meer in lijn met de rentegevoeligheid van de verplichtingen, waardoor een wijziging in de rente minder invloed heeft op de dekkingsgraad. De duratie voor de totale beleggingsportefeuille inclusief renteswaps bedroeg eind 2019 5,0 jaar.

De duratie van de verplichtingen op basis van de UFR-rentecurve bedraagt 19,4 jaar. Om de vergelijking met de duratie van de beleggingen te kunnen maken is de duratie van de verplichtingen ook bepaald op basis van de Eonia rente eind 2019. De duratie op basis van de Eonia rentecurve bedraagt 20,7 jaar. Het renteafdekkingspercentage op basis van de duratie volgens de Eonia rentecurve bedraagt circa 24% (zijnde 5,0/20,7)*. 

De volgende grafiek toont in donkerblauw de kasstromen van de nominale pensioenverplichtingen, in lichtblauw die van de swapportefeuille. De set van zeven grijze kasstromen representeert de portefeuille vastrentende waarden. De individuele kasstromen van deze portefeuille zijn samengevoegd in zeven looptijdsegmenten (buckets) om tot een vereenvoudigde weergave te komen. De samengevoegde kasstromen geven dezelfde waardeverandering voor S1 als het totaal van de individuele kasstromen. Uit de figuur is verder op te maken in hoeverre ABP zijn renterisico heeft afgedekt en in hoeverre die afdekking gelijkmatig over de looptijden is verdeeld.

*Door een reguliere modelaanpassing van het rente-afdekkingmodel is de inschatting van de bijdrage aan de rente-afdekking van een aantal type obligaties verlaagd (o.a. high yield bonds en inflation linked bonds). Hierdoor wordt per 1/1/2020 de rente-afdekking 2% lager ingeschat dan daarvoor (22%). De impact van deze modelaanpassing wordt aangevuld met de aankoop van renteswaps. De rente-afdekking zal daarmee worden teruggestuurd richting het strategische afdekkingpercentage van 25%.

 

5.1.5.1.7 (S2) Zakelijkewaardenrisico

Om de koersrisico's van beleggingen in zakelijke waarden goed te beheersen, past ABP op zijn beleggingen zoveel mogelijk diversificatie naar regio, categorie en sector toe. Informatie hierover is opgenomen in de toelichting op de enkelvoudige balans. De zakelijke waarden maken 60% uit van het beschikbaar vermogen, inclusief de categorie grondstoffen van 5%. Deze laatste maakt in de context van S2 geen onderdeel uit van het zakelijkewaardenrisico.. Dit betekent dat een koersdaling bij de zakelijke waarden met 10% grofweg leidt tot een daling van de dekkingsgraad met bijna 6%-punten. In de S-toets wordt uitgegaan van een schok van 30% voor aandelen ontwikkelde markten, 40% voor aandelen opkomende markten en 25% voor niet-beursgenoteerde vastgoed. Niet beursgenoteerde aandelen (private equity, hedge funds en infrastructuur) worden geschokt met 40%. De risico's van niet beursgenoteerde aandelenbeleggingen zijn hiermee inbegrepen in het zakelijkewaardenrisico (S2). Eventueel daarmee verbonden niet-afgedekte valutarisico's worden meegenomen in de rubriek valutarisico (S3).

5.1.5.1.8 (S3) Valutarisico

ABP loopt valutarisico doordat het in het kader van risicospreiding ook belegt in beleggingen in vreemde valuta's, terwijl de pensioenen in euro's worden uitbetaald. Het valutarisico wordt beperkt gehouden doordat de grootste vreemde valuta posities in 2019 gedeeltelijk zijn afgedekt. In de S-toets wordt de na afdekking resterende blootstelling aan vreemde valuta's in ontwikkelde markten ten opzichte van de euro wordt met 20% geschokt. De na afdekking resterende blootstelling aan vreemde valuta's in opkomende markten wordt ten opzichte van de euro met 35% geschokt.

De actuele waarde van de valutarisicoderivaten wordt weergegeven in de laatste tabel van de paragraaf derivaten. De volgende tabel geeft de verdeling van de beleggingen vóór en na valuta-afdekking weer.

Verdeling beschikbaar vermogen naar valuta, eind 2019 (€ mln) Voor valuta-afdekking Valuta-afdekking Na valuta-afdekking
       
Valuta      
       
Euro 162.703 135.710 298.413
Amerikaanse dollar 191.550 -111.158 80.392
Britse pond 15.599 -8.230 7.369
Australische dollar 7.287 -3.492 3.795
Zwitserse frank 4.661 -2.621 2.040
Hong Kong dollar 5.342 0 5.342
Canadese dollar 4.957 -2.352 2.605
Yen 11.911 -6.515 5.396
Overige 60.336 -69 60.267
Totaal 2019 464.346 1.273 465.619
Totaal 2018 399.633 -662 398.971
 

Eind 2019 bedraagt de strategische afdekking van het valutarisico van de zakelijke waarden op de US Dollar, Zwitserse Frank, de Japanse Yen, de Canadese en Australische Dollar en het Britse Pond 50%. Het valutarisico van de vastrentende waarden wordt daarentegen volledig afgedekt. Een valuta-afdekking zet een belegging in vreemde valuta de facto om in een belegging in euro’s.

5.1.5.1.9 (S4) Grondstoffenrisico

De actuele waarde van de grondstoffen (commodities) bedraagt 5% en is grotendeels opgebouwd met behulp van commodityderivaten. Er is een miniem actief risico doordat een deel met actieve mandaten wordt ingevuld. In de S-toets wordt de marktwaarde van de grondstoffen met 35% geschokt.

5.1.5.1.10 (S5) Kredietrisico

In de beleggingsportefeuille wordt kredietrisico gelopen. Kredietrisico wordt omschreven als het risico dat een tegenpartij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, of dat zich een verslechtering van zijn financiële situatie voordoet. De rating van de portefeuille dient als belangrijke indicator voor de kwaliteit van de portefeuille. Het kredietrisico is voor een deel afgedekt met credit default swaps. Ten behoeve van de S-toets wordt de portefeuille vastrentende waarden in vijf ratingklassen opgedeeld: AAA, AA, A, BBB, en BB of lager. De ratingklasse AAA wordt vervolgens nog opgedeeld in Europees AAA-staatspapier en overig AAA. In het FTK stress-scenario wordt een schok op de credit spread toegepast. De grootte van deze schok varieert van 0 bp voor Europees AAA staatspapier en 60 bp voor overig AAA tot 530 bp voor papier met rating BB of lager.

Kredietwaardigheid van beleggingen wordt veelal door middel van creditratings geclassificeerd. Een hoge creditrating betekent dat de debiteur zeer kredietwaardig is en de lening met een hoge mate van zekerheid zal worden terugbetaald. Creditratings lopen uiteen van de hoogste rating AAA (zeer kredietwaardig) tot de laagste rating D.
De spreiding van de beleggingen in vastrentende waarden is van dien aard dat 73% (2018: 74%) een rating heeft van A of hoger.

Ratingverdeling totale portefeuille vastrentende waarden, in % AAA AA A BBB <= BB Geen rating Totaal
               
2019 33% 29% 11% 17% 9% 1% 100%
2018 35% 28% 11% 16% 10% 0% 100%
 

In onderstaande grafiek wordt een aanvullende specificatie van de rating naar soort debiteur gegeven:

5.1.5.1.11 (S6) Verzekeringstechnische risico

Ouderdoms- en nabestaandenpensioenen worden levenslang uitgekeerd. Conform wet- en regelgeving dient bij het vaststellen van de VPV rekening gehouden te worden met een voorzienbare trend in de toekomstige sterftekansen. Daarvoor wordt de AG-prognosetafel 2018 gebruikt, die wordt gecorrigeerd met fondsspecifieke correctiefactoren zoals vastgesteld in het Grondslagenonderzoek 2014-2016, om zo tot een ABP-specifieke sterftetafel te komen. Naast sterftekansen omvatten de fondsspecifieke grondslagen onder andere overgangskansen, partnerfrequenties en inschattingen omtrent arbeidsongeschiktheid. Als de sterftekansen zich conform deze AG-prognoses ontwikkelen, dan is de levensverwachting eind 2019 voor een 66-jarige man 87,3 jaar en voor een 66-jarige vrouw 89,4 jaar. De schok in de VPV, geassocieerd met de verzekeringstechnische risico’s, is 3,19%.

5.1.5.1.12 (S7) Liquiditeitsrisico

Het liquiditeitsrisico is het risico dat het fonds over onvoldoende liquide middelen zou beschikken om de lopende betalingen, waaronder pensioenuitkeringen, en het storten van onderpand in verband met derivatenposities, te kunnen doen. Onder normale omstandigheden is voor ABP het risico op een liquiditeitstekort gering, onder andere doordat voor een groot deel in liquide vermogenstitels is belegd. In 2019 heeft zich geen liquiditeitstekort voorgedaan.

Het beleggen in illiquide beleggingscategorieën brengt met zich mee dat het fonds bij het periodiek herbalanceren van de beleggingsportefeuille minder flexibel is. Als een fonds gedwongen zou worden om illiquide beleggingen op korte termijn te verkopen, zou dit veelal slechts tegen een ongunstige prijs kunnen geschieden. Om een dergelijke situatie te voorkomen, wordt in het herbalanceringsbeleid rekening gehouden met het gebrek aan flexibiliteit van de illiquide beleggingscategorieën.

De volgende grafiek toont voor het jaar 2019 de maandelijkse kasstromen van de rente-hedge, de valuta-afdekking, de premies en de pensioenuitkeringen. Liquiditeitsproblemen kunnen ontstaan als de negatieve kasstromen te groot worden. We zien dat over 2019 de afdekking voortkomend uit valutaposities de meeste liquiditeit heeft gevraagd.



5.1.5.1.13 (S8) Concentratierisico

Concentratierisico doet zich voor wanneer een groot deel van het belegd vermogen bij dezelfde partij of categorie is geconcentreerd. De risico's zijn in dit geval groter dan wanneer sprake is van een evenwichtige spreiding. In het standaardmodel is het concentratierisico gelijk gesteld aan nul. Ook op grond van het gevoerde beleid is geoordeeld dat er geen sprake is van een verhoogd risico waarvoor een aanvullende opslag noodzakelijk is.

5.1.5.1.14 (S9) Operationeel risico

Operationeel risico is het risico dat door een onjuiste werking van de eigen organisatie fouten niet tijdig opgemerkt worden. De Pensioenwet staat toe dat het operationeel risico op nul wordt gesteld mits er geen sprake is van een verhoogd risico. Aan deze voorwaarde is in 2019 voldaan. Deze uitspraak is gebaseerd op de rapportages van het uitvoeringsbedrijf aan de hand waarvan het bestuur de uitvoering in al haar aspecten monitort.

5.1.5.1.15 (S10) Actief risico

Op basis van asset liability management (ALM) wordt de optimale beleggingsportefeuille bepaald. Vervolgens wordt elk van de beleggingscategorieën met passende titels ingevuld. Daarbij is het toegestaan binnen vooraf vastgestelde maximale tracking errors van de benchmark af te wijken, hetgeen tot actief risico leidt. De tracking errors van de beleggingscategorieën worden met risicosystemen gemeten en doorlopen gemonitord om te bepalen of zij zich binnen de vastgestelde limieten bewegen. De impact van het actief risico op de vereiste dekkingsgraad is +0,16%-punt.

5.1.5.1.16 Risicorestricties

Om indexatie mogelijk te maken moet beleggingsrisico worden genomen. Het gaat hier om bewust aanvaarde risico’s die aansluiten bij de risicohouding van het fonds, met als doel op de lange termijn de indexatieambitie waar te kunnen maken. Voor het beperken van beleggingsrisico's wordt gebruik gemaakt van risicorestricties in de mandaten en worden de gelopen risico’s voortdurend in de gaten gehouden. Zowel voor de hele portefeuille als voor bepaalde onderdelen gelden risicolimieten. Denk hierbij aan een maximale toegestane hoeveelheid actief risico of een maximale allocatie naar een bepaalde tegenpartij. Naast deze limieten en het aanbrengen van spreiding in de beleggingen kunnen risico's worden beperkt door afgeleide financiële instrumenten, zogenaamde derivaten, in te zetten.

5.1.5.1.17 Derivaten

ABP gebruikt derivaten om risico's te verkleinen of om snel tactische wijzigingen aan te brengen in de beleggingsmix. Derivaten zijn financiële instrumenten waarvan de waarde mede afhankelijk is van één of meer onderliggende financiële instrumenten. Derivaten kunnen zowel op de beurs als rechtstreeks met financiële partijen worden verhandeld. In het laatste geval spreekt men van 'over-the-counter'(OTC)-derivaten. ABP gebruikt beide. Voor derivatenposities moet veelal onderpand bij een tegenpartij worden aangehouden. Dit dient als een soort buffer voor de fluctuaties in waarde en koers van een derivatenpositie. Het onderpand is een hoeveelheid contant geld (of geschikte effecten) die, als de waarde van derivaten fluctueert, garant staat voor de nakoming van eventuele verplichtingen. Bijstorting of terugstorting van onderpand, afhankelijk van de verandering in de positie, vindt in beginsel op dagbasis plaats. Het grootste deel van het derivatengebruik vloeit voort uit afdekking van het valuta- en renterisico. Een deel van de beleggingen is in vreemde valuta's genoteerd (het grootste deel hiervan in ÙS dollars). Om de risico's van koerswijzigingen te verkleinen en de kasstromen in euro's zeker te stellen, is een deel van het valutarisico afgedekt. Ook worden derivaten gebruikt om de rentegevoeligheid van de beleggingen meer in overeenstemming te brengen met de rentegevoeligheid van de toekomstige verplichtingen. Dit wordt gedaan door middel van het verlengen van de duratie (gewogen gemiddelde looptijd van alle kasstromen) van de vastrentende waarden.

Een beperkt deel van de derivatenportefeuille wordt ingezet om op een effectieve manier posities in bepaalde beleggingen te creëren, of om kenmerken van een bepaalde beleggingsportefeuille te wijzigen.

In de volgende tabel wordt eerst de actuele waarde van de derivaten (swaps, futures, opties en valutatermijncontracten) en shortposities toegerekend aan de beleggingscategorieën en vervolgens het effect van de derivaten betrekking hebbend op asset(bij)sturing vanuit overlay. Ultimo 2019 was het effect van de derivaten betrekking hebbend op asset(bij)sturing vanuit overlay € 13,7 miljard (2018: € 3,4 miljard). Zoals uit de tabel blijkt is met behulp van derivaten en shortposities het belang in vastrentende waarden en overige beleggingen verhoogd en in aandelen verlaagd. 

Overzicht balans voor en na toerekening actuele waarde derivaten, in € mln Balans tegen actuele waarde Toerekening actuele waarde derivaten Balans na toerekening actuele waarde derivaten Effect asset sturing in overlay Balans na effect asset sturing vanuit overlay Balans na effect asset sturing vanuit overlay
             
          31-12-2019 31-12-2018
             
Vastgoed 63.530 - 63.530 - 63.530 52.171
Aandelen 192.405 -244 192.161 -13.701 178.460 152.841
Vastrentende waarden 176.459 20.760 197.219 6.572 203.791 181.204
Derivaten: positieve posities 43.601 -43.601 - - - -
Overige beleggingen 53.534 1.841 55.375 7.129 62.504 44.663
Overige activa 1.944 - 1.944 - 1.944 1.888
             
Totaal activa 531.473 -21.244 510.229 - 510.229 432.767
             
Eigen vermogen -9.651 - -9.651 - -9.651 -11.012
Pensioenverplichtingen 476.330 - 476.330 - 476.330 411.008
Passiva beleggingen-gerelateerd 62.866 -21.244 41.622 - 41.622 31.483
- waarvan derivaten en shortposities 40.450 -21.244 19.206 - 19.206 115
Overige passiva 1.928 - 1.928 - 1.928 1.288
             
Totaal passiva 531.473 -21.244 510.229 - 510.229 432.767
 

In de volgende tabel is een specificatie gegeven van de verschillende soorten derivaten. De onderliggende waarden voor de futures en tba’s (to be announced) zijn gebaseerd op de netto-exposure (saldo van de long en short exposure). De onderliggende waarden van de overige derivaten zijn op de onderliggende notionals van het betreffende derivaat gebaseerd waarbij alle posities in absolute waarde zijn opgeteld (sommering van de long en short exposure). De twee grootste posten zijn de derivaten die worden ingezet voor het mitigeren van het valutarisico (forwards) en het renterisico (interest rate swaps).

Specificatie derivaten naar soort, in € mln Onderliggende waarde vordering Vordering Onderliggende waarde schuld Schuld
         
Valuta derivaten        
Forwards 65.480 1.797 167.249 -680
Cross Currency Swap 71     -5
         
Interest derivaten        
Interest Rate Swap 179.835 39.381 150.716 -17.416
Inflation Linked Swap 8.790 1.266 5.987 -2.446
Futures vastrentende waarden 6.883 52 9.653 -59
TBA's 343 4 1.779 -4
         
Overige derivaten        
Credit Default Swaps 5.257 13 323 -226
Overige futures 20.414 1.088 16.271 -408
Totaal derivaten eind 2019   43.601   -21.244
Totaal derivaten eind 2018   31.428   -18.924
 


5.1.5.1.18 Shortposities

Shortposities zijn posities waarbij een verplichting is aangegaan om in de toekomst stukken te leveren zonder de stukken te bezitten op het moment van aangaan van de verplichting, waarbij het tegenpartijrisico wordt gemitigeerd met behulp van onderpand. De samenstelling van de shortposities is te zien in onderstaande tabel.

Specificatie shortposities naar soort, in € mln Schuld
   
Shortposities obligaties 190
Shortposities overige beleggingen 82
Totaal shortposities beleggingen eind 2019 272
Totaal shortposities beleggingen eind 2018 115
 

5.1.6 Toelichting op de enkelvoudige balans

(bedragen in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld)

5.1.6.1 Algemeen

Het beschikbaar vermogen kan uit de enkelvoudige balans worden afgeleid door de post totaal activa te verminderen met de posten passiva beleggingen-gerelateerd, schulden en overige passiva en de bestemmingsreserves. De dekkingsgraad wordt bepaald door het beschikbaar vermogen te delen door de voorziening pensioenverplichtingen. De beleidsdekkingsgraad vormt de basis voor het toezicht. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de laatste 12 maanddekkingsgraden. De berekening van de dekkingsgraad ultimo boekjaar is weergegeven in onderstaande tabel:

  31-12-2019 31-12-2018
     
Totaal activa 531.473 451.691
Passiva beleggingen-gerelateerd -62.866 -50.407
Schulden en overige passiva -1.928 -1.288
Bestemmingsreserves -1.060 -1.025
     
Beschikbaar vermogen 465.619 398.971
Voorziening pensioenverplichtingen 476.330 411.008
     
Dekkingsgraad 97,8% 97,1%
Beleidsdekkingsgraad 95,8% 103,8%
     
 

5.1.6.2 ACTIVA

5.1.6.2.1 Beleggingen (1)

Het verloop van de beleggingen is als volgt:

  Vastgoedbeleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten Overige beleggingen Totaal 2019 Totaal 2018
               
Beginstand beleggingen 52.171 155.621 162.154 31.428 48.429 449.803 452.775
Verstrekkingen/aankopen 3.748 9.353 76.294 - 2.794 92.189 38.704
Aflossingen/verkopen -1.858 -12.502 -72.919 - -1.719 -88.998 -43.608
Waardeontwikkeling* 8.484 40.122 10.460 - 3.510 62.576 -6.299
Overige mutaties 985 -189 470 12.173 520 13.959 8.231
Eindstand beleggingen 63.530 192.405 176.459 43.601 53.534 529.529 449.803
Waarvan:              
- beursgenoteerd           343.914 286.388
- niet-beursgenoteerd           185.615 163.415
               
 
* inclusief waardeontwikkeling tot het moment van verkoop


Definitie
Beleggingen betreffen vastgoedbeleggingen, aandelen, vastrentende waarden, derivaten en overige beleggingen, inclusief bijbehorende vorderingen, liquide middelen en schulden. Deze kunnen rechtstreeks worden aangehouden dan wel via participaties in door het uitvoeringsbedrijf beheerde FGR’s.

In de post overige mutaties zijn begrepen de mutaties in bij de beleggingen horende vorderingen, liquide middelen, schulden en de mutaties in de derivatenposities.

In de eindstand van de beleggingen ad € 529,5 miljard (2018: € 449,8 miljard) zijn begrepen:

  31-12-2019 31-12-2018
     
Vorderingen en overlopende activa 443 178
Verstrekte zekerheden 793 921
Kortgeldposities u/g (inclusief kortgeldposities in FGR's) 31.117 25.832
Banktegoeden in rekening courant 885 859
Schulden en overlopende passiva (inclusief debetstanden banksaldi) -592 -590
In beleggingen begrepen netto vlottend actief 32.646 27.200
 

In de post banktegoeden in rekening courant zijn bedragen begrepen die op dagbasis in geldmarktfondsen worden weggezet. Van de banktegoeden staat een bedrag van € 390 miljoen (2018: € 79,5 miljoen) niet ter vrije beschikking. Dit betreft saldi op margin accounts die in verband met futureposities moeten worden aangehouden.

De in de beleggingen opgenomen schulden betreffen banksaldi met een debetsaldo van € 0,1 miljard (2018: € 0,5 miljard).

In de post beleggingen zijn tevens opgenomen:

  • beleggingen ad € 0,3 miljard (2018: € 0,3 miljard) ten behoeve van deelnemers aan de regelingen ABP nettopensioen en ABP ExtraPensioen. 
  • beleggingen ad € 1,4 miljard (2018: € 0,8 miljard) uit hoofde van de voorfinanciering van de VPL-regeling. Deze beleggingen worden beheerd door ABP en zijn voor rekening en risico van derden. De mutatie gedurende het boekjaar bestaat uit de ontvangen premie van € 566 miljoen (2018: € 280 miljoen) en een rendement van € 0 (2018: € 3,8 miljoen).

Er is geen sprake van het uitlenen van beleggingen door ABP.

Waardering
Om tot een betekenisvolle presentatie van de waarden van de participaties in FGR’s te komen zijn deze waar mogelijk en voor zover dit leidt tot een verscherping van het beeld, gerubriceerd naar de achterliggende beleggingscategorieën. De in de waarde van deze participaties begrepen positieve en negatieve derivaten- en kortgeldposities o/g worden, in lijn met de Richtlijn Pensioenfondsen (RJ 610), separaat in de balans verantwoord. Bij de specificatie van beleggingen wordt uitgegaan van de onderliggende titels, ook indien deze zijn ondergebracht in door het uitvoeringsbedrijf beheerde FGR's.

De specificatie van de actuele waarde per beleggingscategorie naar achterliggende waarderingsmethodiek kan als volgt worden weergegeven (in %):

  Vastgoed beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten positief Passiva beleggingen gerelateerd Overige beleggingen 31-12-2019 31-12-2018
Mark-to-market 43 86 97 8 72 54 75 75
Broker quotes - - - - - - - -
Mark-to-model - - 2 92 28 - 6 6
Externe schattingen 57 14 1 - - 46 19 19
Totaal 100 100 100 100 100 100 100 100
 
 

De rubricering in bovenstaande tabel is gebaseerd op de methodieken die worden genoemd bij de grondslagen voor de waardering van de beleggingen. Dat er 92% van de derivaten is gecategoriseerd als mark-to-model vloeit voort uit het feit dat er geen beursnoteringen voorhanden zijn. Dit is bij ‘over the counter'-derivaten bijvoorbeeld het geval, ook al kunnen deze op objectieve wijze worden gewaardeerd. Van de externe schattingen is 78% gebaseerd op een onafhankelijke waardering.

Bij het toerekenen van de beleggingen naar de bijbehorende methodiek zijn de volgende veronderstellingen toegepast:

  • het bij een beleggingscategorie behorende netto vlottend actief, waaronder deposito’s, repo’s, vorderingen, schulden, liquide middelen en beleggingen in geldmarktfondsen is als ‘mark-to-market’ opgenomen:
  • private equity-beleggingen alsmede de beleggingen in hedgefondsen zijn aan de categorie ‘externe schattingen’ toegerekend. Dit geldt ook voor beleggingen in beleggingsfondsen waarbij voor de waardering de opgave van een externe manager wordt gebruikt. Swaps worden als ‘mark-to-market’ opgenomen wanneer een prijs wordt geleverd door een onafhankelijke prijsleverancier. Wanneer geen dagelijkse prijs wordt geleverd en de waardering plaatsvindt op basis van een model vindt toewijzing naar ‘mark-to-model’ plaats.
  • forwards inzake valuta's zijn als 'mark-to-model' opgenomen. Mortgage backed securities en asset backed securities worden als 'broker quotes' of 'externe schattingen' opgenomen indien geen prijs wordt geleverd door een onafhankelijke prijsleverancier. Als de waardering plaatsvindt op basis van minder dan drie broker quotes, wordt de belegging toegewezen aan de methodiek externe schattingen. De hypotheekportefeuilles zijn opgenomen als 'mark-to-model'.

De waardering van de beleggingsportefeuille is derhalve voor het grootste gedeelte op onafhankelijke dataleveranciers gebaseerd. Slechts een klein gedeelte van de portefeuille wordt volgens eigen modellen gewaardeerd.

Om het inzicht in de cijfers verder te bevorderen wordt aansluiting gezocht bij internationale regelgeving (IFRS). In IFRS is het gebruikelijk de reële waarde hiërarchie van de beleggingen toe te wijzen op grond van de volgende drie niveau’s: 

• level 1, directe marktnoteringen. Dit betreft beleggingen met een notering in een actieve markt voor identieke activa of passiva:
• level 2, afgeleide marktnoteringen. Dit betreft beleggingen, niet zijnde level 1-beleggingen, waarvoor bij de waardering gebruik is gemaakt van in de markt waarneembare data:
• level 3, waarderingsmodellen en technieken. Dit betreft beleggingen gewaardeerd met behulp van een waarderingsmethode waarbij een significant deel van de gebruikte input-data niet in de markt waarneembaar zijn.

Onderstaand is de voorgaande waarderingsmatrix gecombineerd met de reële waarde hiërarchie (in %), zoals die internationaal wordt toegepast.

  Directe marktnoteringen Afgeleide marktnoteringen Waarderingsmodellen en -technieken Totaal
         
Mark-to-market 98 2 - 100
Broker quotes - - - 0
Mark-to-model - 100 - 100
Externe schattingen - 11 89 100
Totaal 2019 74 9 17 100
Totaal 2018 73 10 17 100
 

Bij het toerekenen van de beleggingen naar de levels zijn de volgende veronderstellingen c.q. uitgangspunten gehanteerd:

  • bij het toewijzen aan een level wordt niet het fonds voor gemene rekening toegewezen maar de beleggingen in het fonds voor gemene rekening. Indien de belegging wederom een beleggingsfonds is wordt het beleggingsfonds aan een level toegewezen:
  • niet alleen de beleggingen worden toegewezen maar ook de vorderingen, schulden en liquide middelen:
  • aan level 1 worden de volgende beursgenoteerde beleggingen toegewezen: aandelen, obligaties, opties, futures, geldmarktfondsen en liquide middelen:
  • aan level 2 worden de volgende beleggingen toegewezen: beleggingen die worden geprijsd op basis van Markit of soortgelijke prijsleveranciers, beleggingen die worden geprijsd op basis van ten minste drie broker quotes en beleggingen die worden gewaardeerd met een door de beheerder beheerd model waarbij gebruik wordt gemaakt van in de markt waarneembare data. Tevens worden toegewezen aan categorie 2: deposito’s, repo’s, vorderingen en schulden, valutaforwards, look-a- likes van beursgenoteerde opties, futures en dergelijke. Ten slotte wordt een beleggingsfonds als level 2 aangemerkt indien de participaties in dat fonds ten minste één keer per kwartaal aan het fonds terug kunnen worden verkocht tegen de gerapporteerde koers:
  • aan level 3 worden de niet aan level 1 of 2 toegewezen beleggingen toegekend. Het betreft met name closed end funds in illiquide beleggingen waarvan de participaties niet voor het einde van de looptijd terug kunnen worden verkocht aan het fonds.

Specificaties
In de volgende tabellen is een specificatie opgenomen van de beleggingen naar categorie, regio en valuta (alle in € mln). In de valutatabel is de post derivaten niet opgenomen. Deze is in een aparte tabel samen met derivaten negatief en shortposities gepresenteerd.

Beleggingen naar categorie Vastgoed- beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten positief Overige beleggingen 31-12-2019 31-12-2018
               
Basismaterialen 12 10.033 979 144 1.463 12.631 10.919
Hypotheken c.a. - - 22.287 4 - 22.291 17.745
Vastgoed 42.254 4.769 771 - 293 48.087 39.725
Nutsbedrijven 458 4.829 3.324 - - 8.611 8.715
Telecommunicatie 1.195 5.521 3.848 - - 10.564 9.248
Gezondheidszorg 240 19.018 3.173 - 16 22.447 19.546
Luxe goederen 1.021 24.576 2.663 - 9 28.269 23.469
Energie 5.198 8.469 1.967 756 1.654 18.044 16.133
Industriële bedrijven 11.502 17.632 2.835 - - 31.969 23.925
Financiële instellingen 1.115 43.612 16.957 42.541 48.198 152.423 130.749
Dagelijkse goederen - 15.239 1.305 103 662 17.309 14.635
Informatietechnologie - 38.609 1.517 - - 40.126 29.133
Overheid 535 98 114.833 53 1.239 116.758 105.861
Totaal beleggingen 63.530 192.405 176.459 43.601 53.534 529.529 449.803
 

Beleggingen naar regio Vastgoed- beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten positief Overige beleggingen 31-12-2019 31-12-2018
               
Nederland 5.007 4.118 12.405 1.630 19.004 42.164 33.382
EMU overig 14.916 16.109 76.771 9.083 6.061 122.940 105.384
Overig Europa 11.472 22.550 18.264 32.292 2.211 86.789 72.220
Noord-Amerika 18.914 96.573 54.386 581 24.043 194.497 167.959
Azië/Pacific 13.068 47.077 7.695 14 1.767 69.621 58.297
Overig 153 5.978 6.938 1 448 13.518 12.561
Totaal beleggingen 63.530 192.405 176.459 43.601 53.534 529.529 449.803
 

Een verdere toelichting op de beleggingen naar categorie en naar regio is opgenomen in de paragraaf 'Samenstelling van de beleggingen' in het bestuursverslag.

Beleggingen naar valuta, excl. derivaten Vastgoed- beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Overige beleggingen 31-12-2019 31-12-2018
             
Euro 22.559 22.658 96.496 12.779 154.492 135.121
Amerikaanse dollar 20.495 94.508 57.164 37.256 209.423 179.755
Britse pond 6.207 8.235 8.977 1.338 24.757 23.090
Australische dollar 3.053 3.268 1.086 1.008 8.415 7.150
Zwitserse frank 250 4.490 74 107 4.921 4.049
Hong Kong dollar 3.949 1.366 0 177 5.492 4.330
Canadese dollar 255 3.934 1.085 297 5.571 4.688
Yen 1.007 10.682 412 365 12.466 10.285
Overige 5.755 43.264 11.165 207 60.391 49.907
Totaal beleggingen 63.530 192.405 176.459 53.534 485.928 418.375
 

Derivaten en shortposities naar valuta Derivaten positief Derivaten negatief Shortposities 31-12-2019 31-12-2018
           
Euro 178.822 -9.450 -81 169.291 165.922
Amerikaanse dollar -135.235 22.523 -191 -112.903 -121.991
Britse pond 4.078 -21.204 - -17.126 -17.485
Australische dollar 1.844 -6.394 - -4.550 -3.691
Zwitserse frank -804 -2.005 - -2.809 -2.205
Hong Kong dollar -149 73 - -76 -67
Canadese dollar 873 -3.817 - -2.944 -2.220
Yen -6.801 -99 - -6.900 -6.159
Overige 973 -871 - 102 285
Totaal beleggingen in derivaten en shortposities 43.601 -21.244 -272 22.085 12.389
 

De valuta-verdeling van de derivaten positief en negatief wordt mede beïnvloed door valuta-afdekposities. De verantwoording van deze posities betreft een momentopname. Een valutatermijncontract is een overeenkomst om op een toekomstig tijdstip vreemde valuta tegen een afgesproken koers en hoeveelheid aan te kopen of te verkopen. Koop leidt tot een toename van de valutapositie, verkoop tot een afname. In bovengenoemde tabel zijn beide posities weergegeven, de uiteindelijke standen zijn mede afhankelijk van de koersontwikkeling sinds het afsluiten van het contract.

Toelichtingen per categorie

De vastgoedbeleggingen omvatten beleggingen in:

Vastgoedbeleggingen 31-12-2019 31-12-2018
     
Woningen 13.012 8.010
Kantoren 5.406 3.903
Winkels 13.395 15.939
Industrieel 8.563 6.993
Hotels 2.201 2.521
Infrastructuur 15.691 11.394
Overig 5.262 3.411
Totaal vastgoedbeleggingen 63.530 52.171
 

De vastgoedbeleggingen betreffen voor € 3,9 miljard op eigen naam verrichte beleggingen (2018: € 4,7 miljard) en voor € 59,7 miljard beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening (2018: € 47,5 miljard). 

In de post overig zijn onder andere opgenomen de overige activa en passiva inzake vastgoedbeleggingen ad € 0,7 miljard (2018: €1,0 miljard).

De beleggingen in aandelen omvatten beleggingen in:

Aandelen 31-12-2019 31-12-2018
     
Ontwikkelde markten 125.995 100.430
Opkomende markten 39.692 33.657
Private equity 26.166 21.198
Overig 552 336
Totaal beleggingen in aandelen 192.405 155.621
 

De beleggingen in aandelen betreffen voor € 3,3 miljard (2018: € 3,9 miljard) op eigen naam verrichte beleggingen en voor € 189,1 miljard (2018: € 151,7 miljard) beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

Private equity betreft met name aandelen in niet-beursgenoteerde ondernemingen, onder meer in de venture-capital-sector. De beleggingen in private equity betreffen voor € 21,4 miljard indirect investments (2018: € 17,8 miljard) en voor € 4,8 miljard direct investments (2018: € 3,4 miljard).

De beleggingen in vastrentende waarden betreffen:

Vastrentende waarden 31-12-2019 31-12-2018
     
Obligaties 121.649 92.031
High yield credits 15.978 15.379
Indexobligaties 17.870 32.627
Onderhandse leningen 327 299
Hypothecaire leningen 18.543 18.037
Overige activa en passiva 2.092 3.781
Totaal beleggingen in vastrentende waarden 176.459 162.154
 

De beleggingen in vastrentende waarden betreffen voor € 90,2 miljard (2018: € 42,1 miljard) op eigen naam verrichte beleggingen en voor € 86,3 miljard (2018: € 120,1 miljard) beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

De shortpositie van de op eigen naam verrichte beleggingen is ultimo 2019 € 190 miljoen (2018: 36 miljoen). Het saldo ultimo 2019 is verantwoord onder de balanspost passiva beleggingen gerelateerd.

De opbouw van de post beleggingen in vastrentende waarden naar couponrente is als volgt:

Vastrentende waarden naar couponrente 31-12-2019 31-12-2018
     
< 2% 65.702 62.066
2%-3% 30.430 27.085
3%-4% 26.855 25.059
4%-5% 28.147 23.840
> 5% 25.325 24.104
Totaal beleggingen in vastrentende waarden 176.459 162.154
 

Op basis van de contractuele aflossingsdata is de resterende looptijd van de beleggingen in vastrentende waarden als volgt:

Vastrentende waarden naar looptijd 31-12-2019 31-12-2018
     
Korter dan één jaar 7.677 9.740
Vanaf één jaar tot vijf jaar 39.648 36.508
Langer dan vijf jaar 129.134 115.906
Totaal beleggingen in vastrentende waarden 176.459 162.154
 

De kredietwaardigheid van beleggingen in vastrentende waarden wordt veelal uitgedrukt in een credit rating. De rating van de beleggingen in vastrentende waarden is als volgt:

Rating vastrentende waarden AAA AA A BBB <= BB Geen rating Totaal
               
2019 33% 29% 11% 17% 9% 1% 100%
2018 35% 28% 11% 16% 10% 0% 100%
 

Uit voorgaand overzicht blijkt dat 73% (2018: 74%) van de beleggingen in vastrentende waarden een rating heeft van A of hoger.

Voor het bieden van inzicht in de kasstromen van de vastrentende waarden wordt veelal de duratie gebruikt. De duratie is een gemiddelde, gewogen looptijd van alle cash-flows (rente en aflossingen) van de renteproducten. De duratie van de vastrentende waarden bedraagt circa 8 jaar (2018: circa 7 jaar).

De samenstelling van de derivaten met een positieve actuele waarde is als volgt: 

Derivaten 31-12-2019 31-12-2018
     
Valuta derivaten    
Valutatermijncontracten 1.797 692
     
Interest derivaten    
Renteswaps 39.381 29.346
Inflation linked swaps 1.266 1.009
Futures vastrentende waarden 52 159
TBA's (to be announced) 4 23
     
Overige derivaten    
Credit default swaps 13 3
Overige futures 1.088 196
Totaal derivaten met een positieve actuele waarde 43.601 31.428
 

Negatieve derivatenposities worden overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving op de passiefzijde gepresenteerd.

De actuele waarde van derivaten is onder meer sterk afhankelijk van de stand van de (valuta)koersen en de rentes ultimo jaar ten opzichte van de (valuta)koersen en rentes op het moment van afsluiten van de derivatenposities. 

Overige beleggingen 31-12-2019 31-12-2018
     
Totaal overige beleggingen 53.534 48.429
     
 

De overige beleggingen betreffen voor € 20,3 miljard (2018: € 15,6 miljard) op eigen naam verrichte beleggingen en voor € 33,2 miljard (2018: € 32,8 miljard) beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

Overige beleggingen betreffen met name beleggingen in hedgefondsstrategieën ad € 20,8 miljard (2018: € 20,6 miljard). Verder zijn onder deze post opgenomen beleggingen in commodities ad € 3,4 miljard (2018: € 5,7 miljard). De waarde van de in overige beleggingen begrepen overige activa en passiva inzake beleggingen bedraagt € 29,3 miljard (2018: € 22,1 miljard).

De shortpositie van de op eigen naam verrichte beleggingen is ultimo 2019 € 0,1 miljard (2018: € 0,1 miljard) en is verantwoord onder de balanspost passiva beleggingen-gerelateerd.

5.1.6.2.2 Overige activa (2)

  31-12-2019 31-12-2018
     
Deelnemingen 512 757
Materiële vaste activa 67 72
Vorderingen en overlopende activa 1.157 1.040
Liquide middelen 208 19
Totaal overige activa 1.944 1.888
 

In de post liquide middelen zijn banksaldi in rekening courant begrepen. Van de liquide middelen staat het volledige bedrag ter vrije beschikking. Er zijn geen verdere zekerheden gesteld.

De post deelnemingen betreft het rechtstreeks belang in APG Groep NV. Het verloop van de post deelnemingen is als volgt:

Deelnemingen Totaal 2019 Totaal 2018
Beginstand deelnemingen 757 803
Waardeontwikkeling 105 88
Uitgekeerd dividend -350 -134
Eindstand deelnemingen 512 757
 

De materiële vaste activa bestaan uit:

Materiële vaste activa 31-12-2019 31-12-2018
     
Bedrijfsgebouwen en installaties 67 72
 
De post bedrijfsgebouwen en installaties bestaat uit zowel bedrijfsgebouwen met een geschatte economische levensduur van 30 jaar, en installaties met een economische levensduur van 15 jaar.
 

De vorderingen en overlopende activa bestaan uit: 

Vorderingen en overlopende activa 31-12-2019 31-12-2018
     
Vorderingen op werkgevers 892 760
Vorderingen inzake waarde-overnames 181 175
Vorderingen op deelnemers 3 6
Overige vorderingen 81 99
Totaal vorderingen en overlopende activa 1.157 1.040
 
Onder de vorderingen zijn geen vorderingen opgenomen met een resterende looptijd langer dan één jaar (2018: nihil).   

5.1.6.3 PASSIVA

5.1.6.3.1 Eigen vermogen (3)

  Bestemmings- reserve: verzekerings technisch nadeel (VTN) Bestemmings- reserve: toekomstige aanpassing pensioen reglement Bestemmings- reserve: inkoop voorwaardelijk pensioen Algemene reserve Totaal
Stand 1-1-2018 - - 709 17.186 17.895
Toevoeging uit resultaat 1 - 315 - 316
Onttrekking - - - -29.223 -29.223
Stand 31-12-2018 1 - 1.024 -12.037 -11.012
           
Stand 1-1-2019 1 - 1.024 -12.037 -11.012
Toevoeging uit resultaat - 45 36 1.326 1.407
Onttrekking -1 -45 - - -46
Stand 31-12-2019 0 0 1.060 -10.711 -9.651
 

Het eigen vermogen bestaat uit de bestemmingsreserves en de algemene reserve. De algemene reserve is naast financieringsbron voor eventuele tegenvallers ook bron voor toekomstige indexaties.

Pensioenfondsen moeten op grond van het FTK een vereist eigen vermogen aanhouden, gebaseerd op de door het fonds gelopen risico’s. Per eind 2019 bedraagt het vereist eigen vermogen € 127,4 miljard dat wil zeggen 26,7 % van de voorziening pensioenverplichtingen. Daarnaast schrijft de wet voor dat een pensioenfonds een eigen vermogen aanhoudt dat groter is dan het minimaal vereist eigen vermogen. Voor ABP geldt als norm een minimaal vereist eigen vermogen ter grootte van 4,2% (2018: 4,2%) van de voorziening pensioenverplichtingen. Ultimo boekjaar bedraagt het minimaal vereist eigen vermogen € 20,0 miljard. Een uitgebreide toelichting van de positie van ABP ten opzichte van het vereist eigen vermogen en het minimaal vereist eigen vermogen is opgenomen in de risicoparagraaf.

Op 30 maart 2020 is een actualisatie van het herstelplan ingediend waarin is aangetoond dat binnen de voorgeschreven termijn het niveau van het vereist eigen vermogen wordt bereikt. In 2020 waren geen aanvullende maatregelen nodig.

Ultimo boekjaar zijn de volgende bestemmingsreserves verantwoord:

  • de bestemmingsreserve verzekeringstechnisch nadeel (VTN) voor ABP is ultimo 2019 nihil (2018: 1,0 miljoen). Er heeft in 2019 alleen een onttrekking aan deze bestemmingsreserve plaatsgevonden.
  • De bestemmingsreserve toekomstige aanpassingen pensioenreglement is in 2019 gevormd uit het surplus van de premie voor de OP/NP regeling van militairen. Deze bestemmingsreserve is vervolgens aangewend voor de financiering van de pensioenopbouw van de militairen in 2019.
  • de bestemmingsreserve inkoop voorwaardelijk pensioen bedraagt € 1.060 miljoen (2018: € 1.024 miljoen). Aanwending van de bestemmingsreserve inkoop voorwaardelijk pensioen is afhankelijk van het pensioneringsgedrag van de deelnemers in deze regeling. In 2019 is € 36 miljoen toegevoegd. 

Deze bestemmingsreserves tellen niet mee bij het bepalen van de dekkingsgraad.

RESULTAATBESTEMMING

Het jaarverslag is, mede op basis van een positief advies van goedkeuring door de Raad van Toezicht op 30 april 2020, vastgesteld door het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Voorgesteld wordt om van het resultaat € 35 miljoen toe te voegen aan de bestemmingsreserves en het restant ad € 1,3 miljard toe te voegen aan de algemene reserve.

5.1.6.3.2 Voorziening pensioenverplichtingen (4)

Pensioenregelingen: OP/NP AOP Risico Deelnemers Totaal 2019 Totaal 2018
           
Beginstand VPV: 409.486 1.414 108 411.008 391.652
           
Bij-mutaties VPV          
- pensioenopbouw 13.337 147 - 13.484 12.517
- ontwikkeling marktrente: 64.068 262 - 64.330 16.175
- resultaat op actuariële grondslagen -28 1.104 - 1.076 447
           
Totaal bij-mutaties VPV 77.377 1.513 - 78.890 29.139
           
Af-mutaties VPV:          
- onttrekking voor pensioenuitkeringen -11.503 -161 - -11.664 -11.185
- onttrekking voor kosten -75 - - -75 -82
- rentetoevoeging -964 -3 - -967 -1.019
- wijziging u.h.v. overdracht van rechten -72 - - -72 536
- wijziging actuariële grondslagen -556 -104 - -660 1.990
- overige mutaties -133 3 - -130 -23
           
Totaal af-mutaties VPV -13.303 -265 - -13.568 -9.783
Eindstand VPV 473.560 2.662 108 476.330 411.008
- waarvan voor risico van het pensioenfonds       476.222 410.900
- waarvan voor risico deelnemers       108 108
           
 

De VPV is berekend op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur waarbij gebruik wordt gemaakt van de ultimate forward rate (UFR-) methode. Van de rentecurve is de vervangingsrente afgeleid van 0,74% (2018: 1,39%).

De VPV is inclusief de effecten van het overgangsrecht privatisering ABP (OPA). Deze bepalingen maken deel uit van de in het kader van de privatisering voor alle (toekomstige) pensioenrechten uitgevoerde neutrale omrekeningsoperatie bij de overgang van ABP-wet naar ABP-pensioenregeling. De jaarlijkse actualisering van de actuariële grondslagen ten behoeve van de voorziening overgangsrecht privatisering ABP (OPA) op basis van eigen waarnemingen 2018 naar 2019 heeft geleid tot een stijging van de VPV van € 0,3 miljard (2018: € 0,8 miljard).

In juni 2019 heeft een aanpassing van het AOW-schema plaatsgevonden waardoor de AOW leeftijd langzamer stijgt. Tevens is in december  aan de hand van de CBS prognose de verwachte toekomstige groei van de AOW leeftijd bijgesteld. Dit heeft geleid tot het aanpassen van de AKP-kansen. Daarnaast zijn ook de arbeidsongeschiktheidskansen gewijzigd. Dit komt door het actievere communicatiebeleid bij arbeidsongeschiktheid dat sinds juli 2019 van kracht is. Door de wijziging van deze grondslagen daalt de VPV met ca € 0,9 miljard.

De voorziening voor risico deelnemers bestaat uit ABP ExtraPensioen ad € 0,1 miljard (2018: € 0,1 miljard) en ABP nettopensioen ad € 8 miljoen (2018: € 6 miljoen). Voor de nettopensioen regeling is de omvang van de verplichtingen aan de deelnemers gelijk aan de waarde van de voor hun rekening en risico uitgevoerde beleggingen. Het bedrag van € 0,1 miljard (2018: € 0,1 miljard) inzake de ABP ExtraPensioen regeling dat als risico deelnemer wordt gepresenteerd heeft betrekking op het behaalde rendement over de inleg. De inleg in de ABP ExtraPensioen regeling wordt gepresenteerd onder de voorziening voor risico fonds en bedraagt ultimo boekjaar € 0,1 miljard (2018: € 0,1 miljard).

De eindstand van de voorziening pensioenverplichtingen betreft de volgende categorieën.

Voorziening pensioenverplichtingen OP/NP AOP Risico deelnemers 31-12-2019 31-12-2018
           
Deelnemers 236.679 - 108 236.787 199.757
Gewezen deelnemers 40.715 - - 40.715 32.810
Pensioengerechtigden 196.166 2.662 - 198.828 178.441
Totaal voorziening pensioenverplichtingen 473.560 2.662 108 476.330 411.008
 

Het aandeel van de regeling voor de beroepsmilitairen in de pensioenverplichtingen OP/NP ad € 476 miljard bedraagt € 12,7 miljard (2018: € 10,5 miljard). 

De in de voorziening begrepen opslag ter dekking van de kosten van toekomstige toekenningen en uitkeringen bedraagt € 2,5 miljard (2018: € 2,1 miljard). De incassokosten worden gedekt uit opslagen die in de premies zijn verdisconteerd.

Gezien de financiële positie per 31 oktober 2019 heeft het bestuur de indexatie voor 2020 vastgesteld op 0%. Dit geldt zowel voor ingegane en premievrije pensioenen als voor in opbouw zijnde pensioenen van deelnemers. De prijsontwikkeling over de periode 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2018 bedroeg 2,84% (peildatum 31 augustus 2019). 

De voor pensioengerechtigden ingekochte VPL is verantwoord binnen de categorie OP/NP. De in te kopen aanspraken op ouderdomspensioen zijn pas opgebouwd op het moment dat deze zijn gefinancierd. Bij gedeeltelijke ingang van het ouderdomspensioen vindt inkoop naar rato plaats.

Onder arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) zijn de arbeidsongeschiktheidspensioenen vermeld die zijn gebaseerd op de WAO en op de WIA. Het betreft invaliditeitspensioenen (IP), herplaatsingstoelagen (HPT) en ABP arbeidsongeschiktheidspensioenen (AAOP).

Voor een toelichting op de mutaties in de voorziening pensioenverplichtingen wordt verwezen naar de toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten.

5.1.6.3.3 Passiva beleggingen-gerelateerd (5)

  31-12-2019 31-12-2018
     
Ontvangen zekerheden 22.144 15.986
Shortposities 272 115
Kortgeld o/g 19.206 15.382
Derivaten 21.244 18.924
Totaal passiva beleggingen-gerelateerd 62.866 50.407
 

Ontvangen zekerheden betreffen borgstellingen voor aangegane transacties inzake derivaten.

De shortposities zijn als volgt te specificeren:

Shortposities 31-12-2019 31-12-2018
     
Vastrentende waarden 190 37
Overige beleggingen 82 78
Totaal shortposities 272 115
 

In het kortgeld o/g ad € 19,2 miljard (2018: € 15,4 miljard) is voor € 0,7 miljard (2018: € 0,2 miljard) aan repo's begrepen. Deze hebben betrekking op obligaties en indexobligaties. Voor het aangaan van repo’s wordt een vergoeding bedongen. Voor het risico van niet-teruglevering worden tijdelijk contanten verkregen, die onder strikte richtlijnen worden belegd om additioneel rendement te genereren.

De negatieve derivatenposities zijn als volgt te specificeren:

Derivaten met een negatieve actuele waarde 31-12-2019 31-12-2018
     
Valuta derivaten    
Valutatermijncontracten 680 1.230
Cross currency swaps 5 -
     
Interest derivaten    
Renteswaps 17.416 12.710
Inflation linked swaps 2.446 2.221
Futures vastrentende waarden 59 77
TBA's 4 20
     
Overige derivaten    
Credit default swaps 226 32
Overige futures 408 2.634
Totaal derivaten met een negatieve actuele waarde 21.244 18.924
 

Negatieve derivatenposities worden overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving op de passiefzijde gepresenteerd. De actuele waarde van de post derivaten is onder meer afhankelijk van de stand van de (valuta)koersen en de rentes ultimo jaar ten opzichte van de (valuta)koersen en rentes op het moment van afsluiten van de derivatenposities. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de derivaten met een positieve waarde.

5.1.6.3.4 Schulden en overige passiva (6)

  31-12-2019 31-12-2018
     
Schulden inzake pensioenen 311 315
Schuld voorwaardelijke inkoop 1369 803
Overige schulden 249 170
Totaal schulden en overige passiva 1.929 1.288
 

Onder de schulden en overige passiva zijn, als onderdeel van de overige schulden, voor € 62 miljoen (2018: € 19 miljoen) posten verantwoord met een resterende looptijd langer dan één jaar.

Van de schulden inzake pensioenen heeft een bedrag van € 303 miljoen (2018: € 312 miljoen) betrekking op schulden inzake belastingen en sociale lasten.

Onder de overige schulden is een bedrag van € 44 miljoen (2018: € 3 miljoen) opgenomen, dat betrekking heeft op een verplichting aan Defensie. Deze verplichting vloeit voort uit de uitvoering door ABP van de kapitaal gedekte pensioenregeling voor militairen. Het bedrag dat wordt opgebouwd uit de pensioenpremies is nog niet toereikend om te voldoen aan de militaire pensioenverplichting. Daarom bestaat er een vordering (premietekort) van ABP op Defensie. Om dit premietekort te financieren verstrekt Defensie langlopende leningen aan het ABP. Deze tussen Defensie en ABP overeengekomen financieringsconstructie bestaat dus enerzijds uit een vordering op Defensie uit hoofde van een premietekort voor een bedrag van € 15 miljoen (2018: € 55 miljoen) en anderzijds uit een verplichting aan Defensie in de vorm van langlopende leningen voor een bedrag van € 59 miljoen (2018: € 58 miljoen). De leningen hebben voor een bedrag van € 59 miljoen een resterende looptijd langer dan 5 jaar. Het rentepercentage over de leningen ligt tussen de 0,47% en 0,73% (2018: 0,47% en 0,73%). De vergoeding die ABP aan Defensie in rekening mag brengen over de openstaande vordering uit hoofde van premietekort is contractueel gelijk aan de rentelasten over de verplichting uit hoofde van verstrekte leningen.

De schuld voorwaardelijke inkoop ad € 1.369 miljoen (2018: € 803 miljoen) betreft de schuld aan de sociale partners uit hoofde van de ontvangen voorfinanciering en het rendement op de hieraan gerelateerde beleggingen. De voorfinanciering betreft het spreiden van de premie over meerdere jaren voor de piek in de VPL in 2022. De volledige schuld voorwaardelijke inkoop heeft een langlopend karakter. De mutatie gedurende het boekjaar bestaat uit:

Verloop Schuld Voorwaardelijke Inkoop 31-12-2019 31-12-2018
     
Stand per 1 januari 803 519
Ontvangen premie 566 280
Rendement 0 4
Stand per 31 december 1369 803
 

5.1.6.4 NIET IN DE BALANS OPGENOMEN VERPLICHTINGEN EN ACTIVA

5.1.6.4.1 Verplichtingen uit hoofde van beleggingen

De niet in de balans opgenomen verplichtingen en niet in de balans opgenomen activa betreffen vanuit de beleggingen aangegane commitments inzake kapitaalbelangen in beleggingsdochters en door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

Voor beleggingen in vastgoed zijn per balansdatum verplichtingen aangegaan voor € 8,3 miljard (2018: € 6,6 miljard).

Bij aandelen zijn voor beleggingen in private equity verplichtingen aangegaan om desgevraagd stortingen te verrichten. Per balansdatum bedragen deze € 16,7 miljard (2018: € 15,8 miljard). 

Er zijn geen effecten verstrekt als collateral (2018: 0,4 miljard) en voor € 0,2 miljard effecten ontvangen als collateral (2018: nihil).

Er zijn voor € 0,8 miljard (2018: € 0,5 miljard) effecten verstrekt als initial margin. Verder zijn effecten ontvangen ter grootte van € 1,2 miljard (2018: € 1,4 miljard) en verstrekt ter grootte van € 0,7 miljard (2018: € 0,2 miljard) in verband met repo's. Er is voor € 0,4 miljard (2018: € 0,1 miljard) cash verstrekt als initial margin in verband met derivaten.

Bij ABN-AMRO is een kredietovereenkomst aangegaan van in totaal € 0,8 miljard (2018: € 0,8 miljard). Verder is bij ABN-AMRO een intraday-faciliteit van € 0,5 miljard (2018: € 0,5 miljard) en bij ING een intraday-faciliteit van € 0,4 miljard (2018: € 0,4 miljard) aangegaan. Ultimo 2019 is op deze faciliteiten geen beroep gedaan. Voor deze overeenkomsten/faciliteiten zijn geen zekerheden afgegeven.

Voor overige beleggingen zijn per balansdatum verplichtingen aangegaan voor een bedrag van € 1,1 miljard (2018: € 1,8 miljard).

5.1.6.4.2 Overige verplichtingen

Met het uitvoeringsbedrijf APG Groep NV is een meerjarig contract afgesloten voor de dienstverlening bestaande uit bestuursondersteuning, pensioenbeheer en -communicatie en vermogensbeheer in het kader van de uitvoering van de pensioenregelingen. APG Groep NV heeft de werkzaamheden vervolgens uitbesteed aan de dochtermaatschappijen APG Rechtenbeheer NV en APG Asset Management NV.

Voor de omzetbelasting is een fiscale eenheid gevormd. De fiscale eenheid bestaat uit ABP, APG Groep NV en de (klein)dochters van APG Groep NV. Binnen deze fiscale eenheid zijn de vennootschappen over en weer hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars belastingschulden.

5.1.7 Toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten

(bedragen in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld)

5.1.7.1 BATEN

5.1.7.1.1 Premiebijdragen netto (7)

Premies naar categorie OP/NP AAOP Totaal 2019 Totaal 2018
         
Werkgeversdeel 7.975 106 8.081 7.654
Werknemersdeel 3.019 46 3.065 2.723
Totaal premiebijdragen (bruto) 10.994 152 11.146 10.377
Af: kostenopslag in de premie     -105 -110
Premiebijdragen (netto)     11.041 10.267
Premie (in %) 24,9 0,5    
         
 

De premiebijdragen van aangesloten werkgevers en werknemers zijn in voorgaande tabel naar categorie gespecificeerd. Tevens zijn de premiepercentages vermeld. Het betreft de zogeheten gedempte kostendekkende premie plus eventuele op- of afslagen, bijvoorbeeld vanwege een herstelplan of premiekortingen.

Het bedrag van de bruto premies is in 2019 circa 7% hoger dan in 2018. Dit is met name te verklaren door de stijging van de premie voor het reguliere OP/NP. Het premiepercentage voor OP/NP is met circa 1 procentpunt gestegen ten opzichte van 2018. Dit is met name het gevolg van het nieuwe grondslagenonderzoek 2014-2016, de eenmalige premie voor de verschuiving van het kantelpunt PP en de toename van de premieopslag van 1,0%-punt naar 2,0%-punt.

De kostenopslag uit de pensioenpremies dient mede ter dekking van de incassokosten. De incasso-opslag OP/NP bedraagt in 2019 0,25% van de premiegrondslag OP/NP (2018: 0,25%).

Ultimo 2019 bedraagt het aantal aangesloten (sub)werkgevers 3.593 (2018: 3.643). Zij dragen de volledige premie af, inclusief het werknemersdeel. Het totaal van de premiebijdragen van het pensioenfonds betreft de in het verslagjaar feitelijk vastgestelde premie plus de raming van de nog vast te stellen premie over het verslagjaar en het inmiddels vastgestelde schattingsverschil ten opzichte van voorgaand verslagjaar. Het fonds heeft in 2019 geen premiekorting in de zin van de Pensioenwet verleend.

De Pensioenwet schrijft voor dat de feitelijke premie, de gedempte kostendekkende premie en de ongedempte kostendekkende premie worden gekwantificeerd. De ongedempte premie is berekend op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur, die correspondeert met een gemiddelde nominale rekenrente primo verslagjaar van 1,39% (2018: 1,48%).

De samenstelling van de genoemde premies is als volgt:

Samenstelling premiebijdragen: Feitelijk Gedempt kostendekkend Ongedempt kostendekkend
       
a. premiedeel voor onvoorwaardelijke verplichtingen 4.613 4.613 12.563
b. premiedeel opslag voor kosten pensioenbeheer 105 105 105
c. premiedeel solvabiliteitsopslag 1.287 1.287 3.505
d. premiedeel voor voorwaardelijke (indexatie-) verplichtingen 1.388 1.388 -
e. premiedeel op- of afslagen op de gedempte kostendekkende premie 2.758 - -
Totaal premiebijdragen 2019 10.151 7.393 16.173
Totaal premiebijdragen 2018 8.934 7.136 14.676
 

Zoals uit de tabel blijkt is de feitelijke premie in 2019 hoger dan de gedempte kostendekkende premie en lager dan de ongedempte kostendekkende premie.

De in de tabel vermelde feitelijke premiebijdragen wijken af van de post premiebaten (netto). Het verschil wordt in onderstaande tabel nader toegelicht:

Aansluiting premiebijdragen: Totaal 2019 Totaal 2018
     
Premiebijdragen (netto) 11.041 10.267
Feitelijke premiebijdragen 10.151 8.934
Verschil 890 1.333
Betreft:    
Inkooppremie VPL 746 1.004
Kostenopslag in de premie -105 -110
Overige 249 439
 
De post 'overige' heeft voor 2019 met name betrekking op de declaraties voor Inkoop Max (ca € 250 miljoen). Dit ter financiering van inkoop van voorwaardelijke rechten vanuit de Inkoop Max regeling voor de sector politie. Inkoop Max is geen onderdeel van de feitelijke premie omdat het een werkgeversregeling betreft die ABP uitvoert.

Uit de vergelijking van de premiedelen blijkt wat het effect van de demping is en wat het effect is van het wel (bij de gedempte benadering) of niet (bij de ongedempte benadering) rekening houden met verwachte beleggingsopbrengsten.

De minimaal te ontvangen premiebijdrage is gelijk aan de gedempte kostendekkende premie, vermeerderd met de herstelopslagen. De feitelijk ontvangen premie is hieraan gelijk.

Het premiedeel voor onvoorwaardelijke verplichtingen (a) is bij zowel de feitelijke als de gedempte kostendekkende premie gebaseerd op het op lange termijn verwachte nominale beleggingsrendement, vergelijkbaar met een vervangingsrente van 5,5%. 

Het premiedeel opslag voor kosten pensioenbeheer (b) betreft de premiebijdragen uit hoofde van de opslag voor incassokosten. De kostendekking voor excasso- en toekenningskosten is in het onvoorwaardelijke premiedeel (a) begrepen.

Het premiedeel solvabiliteitsopslag (c) is gebaseerd op de vereiste dekkingsgraad bij de strategische beleggingsmix primo 2019. De solvabiliteitsopslag bedraagt 27,9% van het onvoorwaardelijke premiedeel (a).

Het premiedeel voor voorwaardelijke (indexatie-)verplichtingen (d) is het verschil tussen een inschatting van het op lange termijn verwachte reële beleggingsrendement van 3,5% en de premiedelen (a) tot en met (c).

In deze integrale benadering is premiedeel (d) voor voorwaardelijke (indexatie-) verplichtingen de sluitpost. Hoe lager de nominale marktrente, hoe duurder de onvoorwaardelijke verplichtingen en hoe minder beschikbaar is voor de voorwaardelijke verplichtingen. 

Het premiedeel op- of afslagen op de gedempte kostendekkende premie (e) betreft het verschil tussen de premie op basis van het verwachte reële beleggingsrendement van 3,5% en het herziene uitgangspunt voor het reële beleggingsrendement van 2,8% dat is gehanteerd bij de bepaling van de premie voor 2019. 

5.1.7.1.2 Beleggingsresultaten (netto) (8)

  Vastgoedbeleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten Overige beleggingen 2019 2018
               
Directe resultaten 679 728 4.503 1.709 391 8.010 7.532
Indirecte resultaten 8.594 40.118 10.395 -2.518 3.295 59.884 -15.966
Kosten vermogensbeheer -136 -194 -100 -2 -56 -488 -421
Totaal beleggingsresultaten (netto) 9.136 40.652 14.799 -811 3.630 67.406 -8.855
 

De directe resultaten betreffen nominale renteopbrengsten en dividenden. Het pensioenfonds is vrijgesteld van dividendbelasting. De indirecte resultaten betreffen de actuele waardeontwikkeling van de beleggingen, inclusief valutakoersresultaten. De kosten betreffen de som van de gefactureerde kosten van de beleggingen op eigen naam, de door het uitvoeringsbedrijf voor vermogensbeheer gefactureerde kosten en de kosten van het bestuur. Bij de verdeling van de kosten naar beleggingscategorieën zijn niet direct toewijsbare kosten toegerekend naar rato van het belegd vermogen. In de jaarrekening staan alleen de gefactureerde kosten vermeld. De niet-gefactureerde kosten zijn gesaldeerd met de beleggingsresultaten. In het hoofdstuk Uitvoeringskosten van het bestuursverslag wordt het totaal van deze kosten toegelicht.

Transactiekosten zijn in de jaarrekening gesaldeerd met de beleggingsresultaten. Het totaal van de transactiekosten voor het boekjaar bedraagt € 392 miljoen (2018: € 397 miljoen). Een verdere specificatie van de transactiekosten is opgenomen in het hoofdstuk Uitvoeringskosten van het bestuursverslag. 

Het resultaat op derivaten wordt onderstaand gespecificeerd naar soort derivaat.

Resultaat derivaten 2019 2018
     
Rentederivaten 6.847 1.654
Valutaderivaten -5.998 -8.662
Overige derivaten -1.658 -79
Totaal resultaat op derivaten -809 -7.087
 

5.1.7.2 LASTEN

5.1.7.2.1 Pensioenuitkeringen (9)

Pensioenuitkeringen naar soort Total 2019 Total 2018
     
OP/NP -11.426 -10.956
AOP -171 -154
     
Aantallen pensioengerechtigden ultimo:    
OP/NP 865.743 845.864
AOP 44.728 40.665
     
 
De post pensioenuitkeringen betreft ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP) en de arbeidsongeschiktheidspensioenen (AOP): AAOP, IP en HPT.

5.1.7.2.2 Mutatie voorziening pensioenverplichtingen (10)

  Totaal 2019 Totaal 2018
Pensioenopbouw -13.484 -12.517
Rentetoevoeging 967 1.019
Onttrekking voor pensioenuitkeringen 11.664 11.185
Resultaat op actuariële grondslagen -1.076 -447
Onttrekking voor kosten pensioenbeheer 75 82
Ontwikkeling marktrente -64.330 -16.175
Wijziging actuariële grondslagen 660 -1.990
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten 72 -536
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen 130 23
     
Totaal mutatie voorziening pensioenverplichtingen -65.322 -19.356
 
De mutatie voorziening pensioenverplichtingen wordt onderstaand per component toegelicht.
 

PENSIOENOPBOUW

De post pensioenopbouw weerspiegelt het effect van 1 jaar diensttijdopbouw en de diensttijddoortelling bij arbeidsongeschiktheid en overlijden op de nominale pensioenverplichtingen. 

RENTETOEVOEGING

De waarde van de pensioenverplichtingen neemt, behalve met de pensioenopbouw en eventuele indexatie, jaarlijks ook toe met rente. De oprenting in het verslagjaar geschiedt tegen de eenjaarsrente uit de nominale rentetermijnstructuur ultimo voorgaand boekjaar ad - 0,24% (2018: - 0,26%).

Omdat de eenjaarsrente uit de nominale rentetermijnstructuur ultimo voorgaand boekjaar negatief was, dalen de verplichtingen van het pensioenfonds. Bij een negatieve rente vormt de rentetoevoeging dus een bate.  

ONTTREKKING VOOR PENSIOENUITKERINGEN

De voorziening pensioenverplichtingen wordt actuarieel, dus rekening houdend met resultaat op actuariële grondslagen, berekend als de contante waarde van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. Jaarlijks wordt het voor het verslagjaar gecalculeerde bedrag uit de voorziening onttrokken, ter dekking van de feitelijk te verrichten pensioenuitkeringen in dat jaar. 

RESULTAAT OP ACTUARIËLE GRONDSLAGEN

Het resultaat op actuariële grondslagen is negatief. Dit is met name toe te wijzen aan het feit dat het aantal arbeidsongeschikte deelnemers sterker toenam dan verwacht. Dit is het gevolg van het nieuw ingezette actiever benaderingsbeleid. Hierdoor is de stijging van de voorziening voor premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid en voor arbeidsongeschiktheidspensioen groter dan de ontvangen premies. De overige effecten zijn gering.

ONTTREKKING VOOR KOSTEN PENSIOENBEHEER

De kosten van pensioenbeheer, bestaande uit excasso- en toekenningskosten worden uit een onttrekking uit de voorzieningen gedekt. Voor de onttrekking gedurende 2019 gelden de opslagen zoals bepaald in het Grondslagenonderzoek 2014-2016. Zo bedraagt de excasso-opslag OP/NP 0,30% en de toekenningskostenopslag 0,35% van de voorziening pensioenverplichtingen. Voor de arbeidsongeschiktheidspensioenen geldt een incasso-opslag van 0% en een excasso-opslag van 2,3%. In het grondslagenonderzoek GO1416 zijn de kostenopslagen bepaalt o.b.v. een nieuw cost-accounting systeem. Met dit systeem zijn aparte incasso-kosten voor AAOP komen te vervallen en zijn in plaats daarvan onderdeel van de incasso-opslag OP/NP.

Voor de onttrekking gedurende 2018 golden de opslagen zoals bepaald in het Grondslagenonderzoek 2011-2013. De excasso-opslag OP/NP bedroeg 0,60% en de toekenningskostenopslag 0,10% van de voorziening pensioenverplichtingen. Voor de arbeidsongeschiktheidspensioenen geldt een incasso-opslag van 0,05% en een excasso-opslag van 3,35%. 

ONTWIKKELING MARKTRENTE

De rentetermijnstructuur ultimo 2019 zoals gepubliceerd door DNB correspondeert met een nominale rente van 0,74%. Ultimo 2018 correspondeerde de rentetermijnstructuur met een nominale rente van 1,39%. De wijziging van de rentetermijnstructuur leidt op totaalniveau tot een toename van de voorziening pensioenverplichtingen.

WIJZIGING ACTUARIËLE GRONDSLAGEN

De voornaamste wijzigingen actuariële grondslagen betreft het financiële effect van: 

    • de jaarlijkse actualisering van de actuariële grondslagen voor het onderdeel 'overgangsrecht privatisering ABP (OPA)' op basis van waarnemingen. Dit leidt tot een toename van de voorziening pensioenverplichtingen van € 0,3 miljard.
    • De actualisering van het AOW schema 2019 en de verwerking ervan in de AKP kansen leidt tot een afname van de voorziening pensioenverplichtingen van € 0,9 miljard.

WIJZIGING UIT HOOFDE VAN OVERDRACHT VAN RECHTEN

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten 2019 2018
     
Waardeoverdrachten 275 213
Waardeovernames -203 -749
Totaal wijziging uit hoofde van overdracht van rechten 72 -536
 
 

OVERIGE MUTATIES VOORZIENING PENSIOENVERPLICHTINGEN

  • In 2019 is de pensioenregeling van defensie gewijzigd. Hierbij is de overstap gemaakt van een eindloonregeling naar een middelloonregeling. Daarnaast wordt de post overige mutaties gevormd door correcties. Per saldo daalt de voorziening pensioenverplichtingen met € 0,1 miljard.
5.1.7.2.3 Dekking uit kostenopslag pensioenpremies (11)

  2019 2018
     
  105 110
     
 

De dekking uit de pensioenpremies dient ter dekking van de incassokosten. De incasso-opslag OP/NP bedraagt 0,25% van de premiegrondslag OP/NP (2018: 0,25%). De incasso-opslag AAOP zijn komen te vervallen (2018: 0,05%).

5.1.7.2.4 Saldo overdracht van rechten (12)

  2019 2018
     
Waardeovernames 261 820
Waardeoverdrachten -92 -303
Totaal saldo overdracht van rechten 169 517
 

In vergelijking met 2018 dalen zowel de waardeovernames als de waardeoverdrachten. Voor 2018 zijn het gehele jaar waardeovernames en -overdrachten uitgevoerd. Vanaf 1 augustus 2019 liet de dekkingsgraad van ABP geen individuele waardeovernames en -overdrachten toe.

5.1.7.2.5 Kosten pensioenbeheer (netto) (13)

  2019 2018
     
Salarissen (inclusief sociale lasten) -7 -8
Pensioenlasten -1 -1
Overige personeelskosten -2 -1
Afschrijvingen -5 -5
Diensten van derden pensioenbeheer -129 -134
Diensten van derden vermogensbeheer -380 -362
Diensten van derden overige -27 -18
Overige bedrijfskosten -7 -8
Subtotaal -558 -537
Af: opbrengsten uit werkzaamheden voor derden 23 15
Af: toerekening aan kosten vermogensbeheer 394 377
Kosten pensioenbeheer (netto) -141 -145
 

Onder de salarissen en pensioenlasten zijn begrepen de bedragen die in 2019 zijn uitbetaald aan de directie bestuursbureau. De overige bedrijfskosten betreffen voornamelijk kosten van huisvesting en toezichthouders. 

in €

Directie bestuursbureau     2019 2018
  Salarissen Overige personele- en pensioenlasten Totaal Totaal
NJM Beuken 215.946 52.561 268.507 255.858
RLS Verjans 206.473 47.631 254.104 244.455
         
 

De post overige personele en pensioenlasten omvat mede de werkgeversbijdrage sociale verzekeringen.

De omvang van het gemiddelde personeelsbestand bedroeg:

Omvang gemiddeld personeelsbestand 2019 2018
     
In fte's 42 42
In personen 43 43
     
 

Het personeel neemt deel aan de pensioenregeling van ABP. Als werkgever heeft ABP aan het fonds geen verplichting tot het doen van aanvullende bijdragen in het geval van tekorten, anders dan het voldoen van de jaarlijkse premiebijdragen. Hierdoor kan worden volstaan met het verantwoorden van de premie als last.

 

 

5.1.8 Toelichting op het enkelvoudige kasstroomoverzicht (14)

(bedragen in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld)

De post geldmiddelen is als volgt te specificeren:

  31-12-2019 31-12-2018
     
Beleggingen 886 859
Overige activa 208 19
     
Totaal geldmiddelen 1.094 878
 

 

5.1.8.1 Kasstroom uit pensioenactiviteiten

De ontvangen premies in het kasstroomoverzicht bestaan uit de premiebijdragen van € 10.580 miljoen en de ontvangen premies inzake de schuld voorwaardelijke inkoop van € 566 miljoen, zoals verantwoord onder schulden en overige passiva.

De toename van de ontvangen premies in 2019 is met name te verklaren door de stijging van de premies OP/NP in 2019.

De toename van de betaalde pensioenuitkeringen wordt veroorzaakt door de toename van het aantal pensioengerechtigden.

 

5.1.8.2 Kasstroom uit beleggingsactiviteiten

In het kasstroomoverzicht zijn kasstromen uit directe beleggingsopbrengsten en valutaresultaten op bankrekeningen opgenomen.

De post overige mutaties ontstaat door een aantal effecten. Waaronder mutaties in de balanspost negatieve bankstanden, valuta effecten en de methodiek van doorkijk in de beleggingspools.

 

 

 

5.1.9 Overige toelichtingen

5.1.9.1 Actuariële analyse

in miljoenen euro's

  2019 2018
     
Resultaat op premiebijdragen    
Premiebijdragen (netto) (7) 11.041 10.267
Pensioenopbouw (10) -13.484 -12.517
Subtotaal -2.443 -2.250
Renteresultaat    
Beleggingsresultaten (netto) (8) 67.406 -8.855
Rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd -299 -315
Rentetoevoeging (10) 967 1.019
Ontwikkeling marktrente (10) -64.330 -16.175
Subtotaal 3.744 -24.326
Resultaat op pensioenuitkeringen    
Pensioenuitkeringen (9) -11.597 -11.110
Onttrekking voor pensioenuitkeringen uit VPV (10) 11.664 11.185
Subtotaal 67 75
Resultaat op kosten    
Kosten pensioenbeheer (netto) (13) -141 -145
Onttrekking voor kosten pensioenbeheer uit VPV (10) 75 82
Dekking uit kostenopslag pensioenpremies (11) 105 110
Subtotaal 39 47
Resultaat overig    
Resultaat op actuariële grondslagen (10) -1.076 -447
Overige baten en lasten 0 -20
Saldo overdracht van rechten (12) 169 517
Wijziging VPV uit hoofde van overdracht van rechten (10) 72 -536
Wijziging actuariële grondslagen (10) 660 -1.990
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen (10) 129 23
Subtotaal -46 -2.453
Totaal resultaat = saldo baten en lasten 1.361 -28.907
 


5.1.9.2 Beloningsparagraaf

Het beloningsbeleid werkt met vaste beloningen. De tijd die iemand investeert in de (bestuurs-)functie bij ABP is daarbij leidend. De voorzitter ontvangt een vaste vergoeding op basis van een overeenkomst van opdracht. Deze vergoeding is gebaseerd op het aantal dagen waarop de voorzitter voor het bestuur actief is. De vergoeding bedraagt € 130.000, - op jaarbasis bij een vierdaagse werkweek.

Bestuursleden ontvangen een vaste vergoeding van € 90.000 per jaar waarop een aanvulling van € 10.000 mogelijk is in geval er sprake is van een groter dan gemiddeld tijdsbeslag voortvloeiend uit het bestuurslidmaatschap. Van een groter dan gemiddeld tijdsbeslag is bijvoorbeeld sprake bij de beide vicevoorzitters in het bestuur. Aan de vergoedingen is geen sociale zekerheid en geen pensioenopbouw gekoppeld. De vergoedingen van externe leden van commissies zijn in 2019 per commissielid onveranderd.
Indexatie van de bestuurdersvergoedingen is afhankelijk van de indexatie van de pensioenuitkeringen. Over 2019 zijn de pensioenuitkeringen niet verhoogd, waardoor er geen indexatie van de bestuurdersbeloningen heeft plaatsgevonden. Aan de leden van het bestuur zijn geen bonussen, leningen, voorschotten of garanties verstrekt.

in €

Leden bestuur 2019 2018
     
CM Wortmann-Kool (voorzitter bestuur) 130.000 130.000
M Doornekamp 90.000 90.000
C van Eykelenburg 90.000 90.000
P Fey * 90.000 90.000
WH van Houwelingen (tot 1-9-2018) - 62.762
GAC Leegwater 90.000 90.000
JN van Lunteren (tot 1-3-2019) 15.000 90.000
J Meijer * 100.000 100.000
CM Mulder-Volkers 90.000 90.000
K Nauta (vanaf 1-3-2019) 75.000 -
AJM Sibbing (vanaf 7-3-2019) 75.000 -
PA Stork 90.000 90.000
XJ den Uyl 90.000 90.000
A van Vliet 90.000 90.000
JPCM van Zijl 100.000 100.000
Totaal beloningen bestuur 1.215.000 1.202.762
 
* de gelden worden overgemaakt aan de betreffende instanties.

in €

(Externe) leden van de fondsorganen 2019 2018
     
Commissie van Beroep 36.674 35.451
Bestuurscommissie Beleggingsbeleid 35.000 35.000
Verantwoordingsorgaan 186.588 208.764
Raad van Toezicht 130.000 130.000
Totaal beloningen (externe) leden fondsorganen 388.262 409.215
 

In de fondsorganen in bovenstaande tabel participeren voornamelijk personen die geen deel uitmaken van het bestuur. Alleen in de Commissie van Beroep participeren ook bestuursleden.

5.1.9.3 Transacties met verbonden partijen

Transacties met verbonden partijen vinden plaats tegen marktconforme condities.

5.1.9.4 Overzicht door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening

Een groot deel van het belegd vermogen is ondergebracht bij door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening (FGR’s), waarin ABP participeert. Het betreft de volgende FGR's: 

 
APG Strategic Real Estate Pool  
APG Tactical Real Estate Pool  
APG Infrastructure Pool 2011  
APG Infrastructure Pool 2012  
APG Infrastructure Pool 2014  
APG Infrastructure Pool 2016  
APG Infrastructure Pool 2017  
APG Infrastructure Pool 2017 II  
APG Private Equity Pool 2009  
APG Private Equity Pool 2010  
APG Private Equity Pool 2012  
APG Private Equity Pool 2013  
APG Private Equity Pool 2014-2015  
APG Private Equity Pool 2016-2017  
APG Private Equity Pool 2018-2019  
APG Commodities Pool  
APG Hedge Funds Pool  
APG Developed Markets Equity Pool  
APG Emerging Markets Equity Pool  
APG Emerging Market Dept Pool  
APG Developed Markets Equity Minimum Volatility Pool  
APG Opportunities Pool 2012  
APG Index Linked Bonds Pool  
APG Euro Plus Treasuries Pool  
APG Long Duration Treasury Pool