Terug naar boven

Uitvoeringskosten

In 2018 heeft ABP opnieuw veel aandacht besteed aan kostenbeheersing bij de uitvoering van de pensioenregeling. Wij splitsen deze kosten uit in kosten voor het beheer van de pensioenen en kosten voor het beleggen van de premies. Zowel de pensioenbeheerkosten als de vermogensbeheerkosten zijn in 2018 gedaald.

3.8.1 Ontwikkeling totale uitvoeringskosten

Het beheersen en het waar mogelijk verantwoord verlagen van de uitvoeringskosten is een van de speerpunten van het bestuur. De uitvoeringskosten bestaan uit de door APG in rekening gebrachte kosten, algemene kosten van het pensioenfonds en kosten van externe vermogensbeheerders. De algemene operationele kosten van het pensioenfonds zelf worden waar mogelijk specifiek toegewezen aan pensioenbeheer of aan vermogensbeheer. Als dat niet mogelijk is, worden de kosten met een sleutel verdeeld.

Over 2018 daalden de kosten van pensioenbeheer, onder meer dankzij het effect van de efficiencyslagen die APG vanaf 2016 heeft ingezet, zonder dat dit ten koste gaat van het serviceniveau voor deelnemers en werkgevers. Ook de kosten voor vermogensbeheer zijn gedaald, in absolute zin en in basispunten. Deze kosten worden uitgesplitst in beheervergoedingen, prestatievergoedingen en transactiekosten. Alle drie de categorieën lieten in het verslagjaar een daling zien.

Hierna lichten we de ontwikkeling van de pensioenbeheerkosten en de ontwikkeling van de vermogensbeheerkosten verder toe.

 

3.8.2 Pensioenbeheerkosten

Kosten pensioenuitvoering dalen verder

In 2018 zijn de totale uitvoeringskosten van pensioenbeheer (dit zijn de kosten van deelnemerstransacties, communicatie met deelnemers, werkgevers- en gegevensbeheer, governance en financieel beheer) gedaald met € 5 miljoen, van € 150 miljoen naar € 145 miljoen. Deze daling is grotendeels toe te schrijven aan de verdere vereenvoudiging van de pensioenregeling, efficiëntere uitvoering van processen en verdergaande digitalisering van de communicatie met deelnemers.

Tegelijkertijd zijn de kosten voor het beter bedienen van deelnemers en werkgevers gegroeid. Zo zijn er nieuwe initiatieven gestart voor het bieden van inzicht en handelingsperspectief voor deelnemers en werkgevers, en hebben we geïnvesteerd in de verbetering van de deelnemer- en werkgeverbeleving. De exploitatiekosten stegen door de wettelijke verplichtingen om ook aan gepensioneerden een pensioenoverzicht (GUPO) te sturen en om bij te dragen aan de kosten van DigiD en de Berichtenbox van Mijn Overheid. Per saldo werd een kostendaling van € 5 miljoen gerealiseerd.

 

In de totale uitvoeringskosten zit ook een bedrag van € 10 miljoen voor toegerekende eigen kosten van het pensioenfonds. Deze post is niet gewijzigd ten opzichte van 2017 (€ 10 miljoen).

Trend kostendaling per deelnemer zet door

De kostprijs per deelnemer is de belangrijkste kostenindicator voor ons pensioenbeheer. Dankzij de gerealiseerde kostenverlaging is in 2018, net als voorgaande jaren, de kostprijs per deelnemer gedaald, met € 4 van € 76 naar € 72 per deelnemer.

 

De kosten per deelnemer zijn ook gunstig beïnvloed door een stijging in het aantal deelnemers. In 2018 was er opnieuw groei te zien in alle categorieën deelnemers. Het aantal actieve deelnemers steeg met circa 1,5%, het aantal gewezen deelnemers met circa 0,5%. De sterkste stijging, circa 2%, was zichtbaar bij de pensioengerechtigden.
Bij de actieve deelnemers was de groei te verklaren door de aantrekkende economie en de toegenomen werkgelegenheid, met name in de sectoren onderwijs, gemeenten en rijk. De stijging van het aantal gewezen deelnemers is vooral toe te schrijven aan het feit dat er minder herintreders zijn geweest in 2018. De toename van het aantal pensioengerechtigden ligt in lijn met de vergrijzing.

Change layout to 1 column

Deelnemerspopulatie

in aantal personen

  31-12-2018 31-12-2017 31-12-2016 31-12-2015 31-12-2014
           
Actieve deelnemers 1.128.671 1.111.106 1.104.792 1.080.490 1.092.337
Gewezen deelnemers 952.476 946.097 933.126 941.586 927.148
Pensioengerechtigden 886.529 868.454 850.385 834.529 816.746
Totaal 2.967.676 2.925.657 2.888.303 2.856.605 2.836.231
           
Ouderdomspensioen 638.787 621.218 603.308 586.859 568.566
Arbeidsongeschiktheidspensioen 40.665 41.106 41.740 43.106 44.491
Nabestaandenpensioen 199.788 198.978 197.911 196.788 195.565
Wezenpensioen 7.289 7.152 7.426 7.776 8.124
Totaal aantal pensioengerechtigden 886.529 868.454 850.385 834.529 816.746
 

Change layout to 2 columns

De kostprijs per deelnemer wordt bepaald op basis van deelnemersaantallen volgens de definitie van de Pensioenfederatie. Alleen de actieve deelnemers en pensioengerechtigden tellen mee voor deze berekening. Dit omdat de gewezen deelnemers weinig inspanningen vergen, wat relatief dus ook weinig kosten met zich meebrengt. Het totaal aantal actieve deelnemers en pensioengerechtigden is gestegen van 1.979.560 eind 2017 tot 2.015.200 eind 2018.
In de tabel op de volgende pagina is de berekening van de kostprijs per deelnemer weergegeven.

Change layout to 1 column

Kosten van pensioenbeheer

  2018 2017 2016 2015 2014
           
Uitvoeringskosten van pensioenbeheer (x € 1.000) 144.729 149.962 155.372 160.450 168.488
Aantal deelnemers, definitie Pensioenfederatie 2.015.200 1.979.560 1.955.177 1.915.019 1.909.083
           
Kosten per deelnemer in € 72 76 79 84 88
Verschil t.o.v. vorig jaar -4 -3 -5 -4 -1
           
 

Change layout to 2 columns

Nieuwe afspraken, lagere kosten

Voor de periode 2018-2020 zijn nieuwe afspraken gemaakt tussen ABP en APG. De kosten voor pensioenuitvoering zijn hier onderdeel van. Het gezamenlijke streven is om ook de komende jaren te zorgen voor een verdere daling van de kosten voor pensioenuitvoering. De in 2018 ingezette daling van € 4 per deelnemer is een eerste resultaat. De verwachting is dat de prijs per deelnemer de komende jaren blijft dalen door in te zetten op verdere vermindering van complexiteit en efficiëntere uitvoering van processen, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de uitvoering en onze dienstverlening. 

Marktvergelijking van de pensioenbeheerkosten

Het bestuur monitort de ontwikkeling van de kosten van pensioenbeheer onder meer met de jaarlijkse wereldwijde benchmarkvergelijkingen door CEM, waar ABP aan deelneemt. Deze benchmark vergelijkt ABP met:

  • een groep grote Nederlandse pensioenfondsen;
  • een groep grote Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen;
  • de totale groep van Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen.

Op het moment van de afronding van dit jaarverslag zijn nog geen CEM-gegevens over 2018 beschikbaar. De cijfers van de groep grote Nederlandse pensioenfondsen zijn voor ABP het meest relevant voor de vergelijking van zowel de kosten als het serviceniveau, omdat deze fondsen het beste vergelijkbaar zijn.
De kosten voor pensioenbeheer per ABP-deelnemer van € 76 (2016: € 79) lagen in 2017, net als in 2016, onder het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen € 91 (2016: € 99). In de volgende grafiek is het meerjarige verloop van de kostprijs per deelnemer voor ABP en voor de groep grote Nederlandse pensioenfondsen weergegeven.

CEM vergelijkt in de benchmark pensioenbeheer ook de service van de fondsen. ABP scoort hierin over 2017 een score van 91 punten. In de internationale vergelijking behoren we tot de top; nationaal ligt de ABP-servicescore boven het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen (87 punten). De stijging van 5 punten ten opzichte van de score in 2016 (86 punten) is te danken aan een hogere score op de onderdelen contactcenter, website en klanttevredenheidsonderzoek.

3.8.3 Vermogensbeheerkosten

Beheervergoedingen, prestatievergoedingen en transactiekosten dalen

De absolute kosten van het vermogensbeheer namen ten opzichte van 2017 af met € 134 miljoen. Ook in basispunten (bp) was er sprake van een daling: de beheervergoedingen namen af met 2,2 bp, de prestatievergoedingen daalden met 2,3 bp en de transactiekosten noteerden 2,2 bp lager.

Change layout to 1 column

Vermogensbeheerkosten in hun context

Mede vanwege de schaalgrootte van ABP zijn de absolute bedragen aan vermogensbeheerkosten hoog. Dit leidt regelmatig tot vragen over nut en noodzaak van deze kosten, vooral bij deelnemers. ABP kiest bewust voor een actieve beleggingsstijl. Deze biedt de beste mogelijkheid om de beoogde rendementsdoelstellingen te behalen en onze risico’s te spreiden, om zo een goed pensioen voor deelnemers te realiseren. Deze manier van beleggen brengt hogere kosten met zich mee dan bijvoorbeeld een passieve stijl die de benchmark volgt. De evaluatie van de kosten voor vermogensbeheer is het meest zuiver als hierin ook het (beoogde) rendement, risicospreiding, de omvang van het belegde vermogen en de behaalde performance worden meegenomen.

Beheervergoedingen
De beheervergoedingen kunnen door het bestuur worden beïnvloed met keuzes in bijvoorbeeld de portefeuillesamenstelling (zoals liquide en illiquide beleggingen). We sturen op een optimale verdeling tussen zoveel mogelijk intern beheerde portefeuilles en uitbesteding aan gespecialiseerde externe managers als dit toegevoegde waarde heeft. Met extern beheer zijn hogere kosten gemoeid. In 2018 hebben we samen met APG stappen gezet om meer beheer intern te doen zie ook de toelichting op pagina 45.

Prestatievergoedingen
Prestatievergoedingen kunnen in mindere mate worden beïnvloed. ABP (of APG in opdracht van ABP) maakt bij externe mandaten hierover afspraken. Alleen als de externe manager een rendement realiseert boven een minimum afgesproken (benchmark)rendement, krijgt hij een prestatievergoeding. ABP betaalt die prestatievergoeding uit het behaalde extra rendement voor het pensioenfonds. Hoe hoger dat rendement is, des te gunstiger voor onze deelnemers, maar hoe hoger ook de absolute kosten. Pas op het moment dat een externe manager een (meerjarige) performance boven het afgesproken (benchmark)rendement behaalt, is ABP bereid prestatievergoedingen te betalen. Het gebruik van prestatievergoedingen is een van de middelen waarmee we de belangen van ABP en de externe manager beter op elkaar kunnen afstemmen. ABP betaalt prestatievergoedingen bij illiquide beleggingen meestal (pas) op basis van gerealiseerde rendementen. Dit betekent dat prestatievergoedingen tot die tijd worden bepaald (en niet per se betaald) op basis van ongerealiseerde rendementen. Bij een lagere performance over een bepaalde periode kan het dus gebeuren dat de reservering voor prestatievergoedingen naar beneden moet worden bijgesteld, met een negatieve prestatievergoeding over die periode als gevolg.

Transactiekosten
Ook de transactiekosten hangen samen met de omvang van het beheerde vermogen en met onze actieve beleggingsstijl.

Change layout to 2 columns

Aansluiting kosten vermogensbeheer

In de jaarrekening zijn de vermogensbeheerkosten verantwoord volgens de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 610. Dit betreft de gefactureerde kosten. Niet-gefactureerde kosten van de externe vermogensbeheerders zijn in de jaarrekening gesaldeerd met beleggingsresultaten. Het gevolg is dat in de jaarrekening (Toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten, zie de tabel Beleggingsresultaten netto) een lager bedrag aan kosten is verantwoord dan in het bestuursverslag. De tabel geeft de aansluiting tussen beide weer.

 

Aansluiting kosten vermogensbeheer

in € mln

  Totaal 2018 Totaal 2017
Bestuursverslag    
Beheervergoedingen 1.370 1.391
Prestatievergoedingen 1.090 1.131
Transactiekosten 397 467
Totaal 2.857 2.989
Jaarrekening    
Rechtstreeks gefactureerde kosten: Beheervergoeding 421 402
Verschil: 2.436 2.587
betreft: niet rechtstreeks gefactureerde kosten (onderdeel van beleggingsresultaten in de jaarrekening)    
 

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de totale beleggingskosten, die bestaan uit beheer- en prestatievergoedingen.

Change layout to 1 column

Beleggingskosten

    2018   2017
  € mln bp € mln bp
         
Beheervergoeding 362 8,8 343 8,8
Beheervergoeding externe vermogensbeheerders 794 19,4 827 21,1
Bewaarloon 53 1,3 50 1,3
Overige kosten 161 3,9 170 4,4
Beheervergoedingen 1.370 33,4 1.391 35,6
Prestatievergoedingen 1.090 26,6 1.131 28,9
Beleggingskosten 2.460 60,0 2.522 64,5
 

Change layout to 2 columns

De totale beleggingskosten zijn in 2018 gedaald. Zowel in euro’s, met € 62 miljoen tot € 2.460 miljoen, als in basispunten (bp), met 4,5 bp tot 60,0 bp. De daling is het gevolg van lagere beheervergoedingen voor externe vermogensbeheerders en lagere prestatievergoedingen.

In de tabel Beleggingskosten is te zien dat de beheervergoedingen zijn gedaald. Dit komt doordat wij in ons beleid hebben aangestuurd op meer intern vermogensbeheer (met lagere kosten) door onze uitvoerder APG. Dit is een van de belangrijke meerjarenafspraken die ABP met APG heeft gemaakt. De beheervergoedingen voor externe vermogensbeheerders namen hierdoor in 2018 af met € 33 miljoen, onder andere door meer directe investeringen en een verlaging van de vergoedingen voor een aantal externe vermogensbeheerders. De beheervergoeding voor APG nam met een kleiner bedrag toe: € 19 miljoen. Daarvan is een groot deel toe te schrijven aan het feit dat vanaf 2018 ook de researchkosten, voor een bedrag van € 15 miljoen, in de beheervergoeding worden meegenomen (voorheen waren deze kosten onderdeel van de transactiekosten; de nieuwe manier van rapporteren geeft ons een beter kosteninzicht). De daadwerkelijke besparing die we met meer intern beheer realiseren, is dus groter dan deze posten op het eerste gezicht doen vermoeden. De doelstelling is om de komende jaren de lijn van kostenverlagingen voort te zetten. Hiertoe heeft ABP recent nieuwe resultaatafspraken gemaakt met APG. Deze hebben vooral betrekking op meer intern beheer, verlaging van de betaalde vergoedingen aan externe beheerders door heronderhandelingen en uitbreiding van het programma om private equity- en hedgefondsmanagers door de uitvoerder zelf te laten selecteren en monitoren, waardoor een tussenlaag aan (‘fund-of-fund’-)kosten wordt voorkomen.

De ontwikkeling van de prestatievergoedingen wordt uitgebreid toegelicht op pagina 48.

Change layout to 1 column

Beleggingskosten naar categorie

    2018       2017    
                 
  Gemidddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemidddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   127   3,0   119   3,0
Staatsobligaties 56.556 25 5 0,6 54.533 25 5 0,7
Bedrijfsobligaties 55.372 72 13 1,7 51.930 65 13 1,7
Obligaties opkomende markten 11.867 30 26 0,7 11.384 28 25 0,7
Inflatiegerelateerd   17   0,5   17   0,4
Inflatiegerelateerde obligaties 31.306 15 5 0,4 31.735 15 5 0,4
Alternative inflation 1.930 2 11 0,1 2.122 2 11 0,1
Aandelen   207   5,1   354   9,1
Aandelen ontwikkelde landen 111.328 142 13 3,5 100.858 157 16 4,0
Aandelen opkomende landen 35.579 65 18 1,6 35.974 197 55 5,0
Alternatieve beleggingen   2.103   51,3   2.018   51,6
Vastgoed 40.084 270 67 6,6 38.956 238 61 6,1
Private equity 20.208 1.186 587 28,9 18.876 1.032 547 26,4
Opportunity fund 1.371 34 251 0,8 2.006 29 144 0,7
Grondstoffen 18.414 56 30 1,4 16.321 60 37 1,5
Infrastructuur 11.131 123 110 3,0 9.873 154 156 3,9
Hedgefondsen 18.579 434 234 10,6 18.525 505 273 12,9
Overlay   6   0,1   13   0,3
Overlay & overig -3.588 6   0,1 -1.818 13   0,3
Totaal beheer- en prestatievergoedingen 410.137 2.460   60,0 391.276 2.522   64,5
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers
bp per cat. worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het vermogen (NAV) van dezelfde categorie
bp v/h totaal worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het totale vermogen (NAV) van het fonds

Change layout to 2 columns

In bovenstaande tabel zijn de kosten opgenomen per beleggingscategorie.

De beleggingsmix is een van de belangrijkste bepalende factoren voor de totale beleggingskosten. Het kostenniveau van alternatieve beleggingen (51,3 bp, 2017: 51,6 bp) is hoger dan die van vastrentende waarden (3,0 bp, 2017: 3,0 bp), maar deze categorie biedt aanzienlijk betere rendementsperspectieven.
Van illiquide beleggingen zijn de werkelijke kosten over het vierde kwartaal niet altijd tijdig beschikbaar. Als dat het geval is, zijn de werkelijke kosten tot en met het derde kwartaal opgenomen, aangevuld met schattingen voor het vierde kwartaal, gebaseerd op de werkelijke kosten van het vierde kwartaal van het jaar daarvoor.

Change layout to 1 column

Beheervergoedingen naar categorie

    2018       2017    
                 
  Gemidddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemidddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   113   2,8   110   2,9
Staatsobligaties 56.556 25 5 0,6 54.533 25 5 0,7
Bedrijfsobligaties 55.372 61 11 1,5 51.930 58 11 1,5
Obligaties opkomende markten 11.867 27 23 0,7 11.384 26 23 0,7
Inflatiegerelateerd   17   0,5   17   0,4
Inflatiegerelateerde obligaties 31.306 15 14 0,4 31.735 15 14 0,4
Alternative inflation 1.930 2 11 0,1 2.122 2 11 0,1
Aandelen   197   4,8   193   5,0
Aandelen ontwikkelde landen 111.328 110 10 2,7 100.858 104 10 2,7
Aandelen opkomende landen 35.579 87 24 2,1 35.974 89 25 2,3
Alternatieve beleggingen   1.037   25,2   1.058   27,1
Vastgoed 40.084 200 50 4,8 38.956 207 53 5,3
Private equity 20.208 386 192 9,4 18.876 384 204 9,8
Opportunity fund 1.371 24 173 0,6 2.006 30 148 0,8
Grondstoffen 18.414 50 27 1,2 16.321 50 31 1,3
Infrastructuur 11.131 103 92 2,5 9.873 105 106 2,7
Hedgefondsen 18.579 274 148 6,7 18.525 282 152 7,2
Overlay   6   0,1   13   0,3
Overlay & overig -3.588 6   0,1 -1.818 13   0,3
Totaal beheervergoedingen 410.137 1.370   33,4 391.276 1.391   35,5
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers
bp per cat. worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het vermogen (NAV) van dezelfde categorie
bp v/h totaal worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het totale vermogen (NAV) van het fonds

Change layout to 2 columns

De beheervergoedingen per beleggingscategorie vertoonden in 2018 geen grote verschuivingen. Voor alternatieve beleggingen daalden de beheervergoedingen, met name dankzij de verschuiving naar meer intern beheer. De andere categorieën lieten een lichte stijging zien. Al met al was er een afname in de totale kosten voor beheer, zowel in absolute zin als in basispunten. Zie hiervoor ook de toelichting op pagina 45, onder de tabel Beleggingskosten.

Change layout to 1 column

Ontwikkeling prestatievergoedingen

Prestatievergoedingen naar categorie

    2018       2017    
                 
  Gemidddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemidddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   14   0,3   9   0,2
Staatsobligaties 56.556 - - - 54.533 - - -
Bedrijfsobligaties 55.372 10 2 0,2 51.930 7 1 0,2
Obligaties opkomende markten 11.867 4 3 0,1 11.384 2 2 -
Inflatiegerelateerd   -   -   -   -
Inflatiegerelateerde obligaties 31.306 - - - 31.735 - - -
Alternative inflation 1.930 - - - 2.122 - - -
Aandelen   10   0,3   162   4,1
Aandelen ontwikkelde landen 111.328 32 3 0,8 100.858 53 5 1,3
Aandelen opkomende landen 35.579 -22 6 -0,5 35.974 109 30 2,8
Alternatieve beleggingen   1.066   26,0   960   24,5
Vastgoed 40.084 70 18 1,6 38.956 31 8 0,8
Private equity 20.208 800 396 19,5 18.876 647 343 16,5
Opportunity fund 1.371 11 78 0,3 2.006 -1 -4 -
Grondstoffen 18.414 6 3 0,2 16.321 10 6 0,2
Infrastructuur 11.131 20 18 0,5 9.873 49 50 1,3
Hedgefondsen 18.579 159 86 3,9 18.525 224 121 5,7
Overlay   -   -   -   -
Overlay & overig -3.588 -   - -1.818 -   -
Totaal prestatievergoedingen 410.137 1.090   26,6 391.276 1.131   28,9
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers
bp per cat. worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het vermogen (NAV) van dezelfde categorie
bp v/h totaal worden berekend door de kosten voor deze categorie af te zetten het totale vermogen (NAV) van het fonds

Change layout to 2 columns

In 2018 daalden de totale prestatievergoedingen, zowel in absolute zin als in basispunten. Opvallend zijn de lagere prestatievergoedingen bij aandelen opkomende markten. Deze daling is toe te schijven aan het feit dat de performance van deze categorie achterblijft bij de benchmark.

Private equity en hedgefondsen zijn hier de grootste kostenposten. Beide categorieën maken samen 9% van de portefeuille uit, maar zijn verantwoordelijk voor 39,5 van de totale 60,0 basispunten aan vermogensbeheerkosten, zoals te zien is in de tabel Beleggingskosten naar categorie. Illiquide beleggingen hebben een hoger kostenniveau dan liquide beleggingen. Het bestuur vindt deze kosten gerechtvaardigd omdat deze categorie een positieve bijdrage levert aan het rendement en zorgt voor een betere risicospreiding. Private equity behaalde na aftrek van kosten een nettorendement van 15,4% (€ 2,9 miljard) tegenover 9,7% in 2017. Over de afgelopen vijf jaar was dit rendement gemiddeld 17,5% per jaar; exclusief valutaresultaten bedraagt dit vijfjaarsrendement 13,2%. De categorie hedgefondsen zette een rendement van 8,5% (€ 1,5 miljard) in de boeken; in 2017 bedroeg dit -7,5%. In de afgelopen vijf jaar realiseerden we in de categorie hedgefondsen, na aftrek van kosten, een rendement van 7,2%. Exclusief valutaresultaten bedraagt dit vijfjaarsrendement 3,3%.

Prestatievergoedingen bij een negatief rendement 
Het lijkt misschien tegenstrijdig dat we in 2018 bij een negatief rendement toch prestatievergoedingen hebben uitgekeerd. Maar deze prestatievergoedingen zijn juist gegaan naar de categorieën private equity en hedgefondsen. Deze realiseerden een rendement van respectievelijk 15,4% (€ 2,9 miljard) en 8,5% (€1,5 miljard). Het beleggen in deze categorieën heeft er in 2018 dus voor gezorgd dat de daling van het rendement is gedempt. Dit is voor ons een bewijs dat onze keuze voor een actieve beleggingsstijl gerechtvaardigd is. Ook het benchmarkonderzoek van CEM bewijst dit (zie verderop in dit hoofdstuk).

Bij private equity zijn prestatievergoedingen afhankelijk van absolute rendementsdoelstellingen. Met externe private equity-managers worden meestal prestatieafspraken gemaakt in lokale valuta. In 2018 hebben Amerikaanse externe managers in Amerikaanse dollars gemeten een lager rendement behaald. Hierdoor zijn relatief minder prestatievergoedingen toegekend. Door de waardestijging van de dollar is in euro’s gemeten een hoger rendement gehaald (circa 5%-punt). In 2017 was sprake van het tegenovergestelde effect: toen hadden valutakoersschommelingen een negatief effect op het gerapporteerde rendement.

 

Hedgefondsen: minder prestatievergoedingen betaald

Bij hedgefondsen zijn de prestatieafspraken afhankelijk van het type mandaat: prestatievergoedingen voor liquide (via de beurs verhandelbare) beleggingen zijn afhankelijk van excess-rendementen, terwijl voor illiquide mandaten de prestatievergoedingen zijn gekoppeld aan absolute rendementsdoelstellingen. Over 2018 is een lager excess-rendement behaald dan het benchmarkrendement (2018: -216 bp, 2017: 66 bp). Hierdoor zijn in 2018 minder prestatievergoedingen betaald aan externe managers. Er zijn wel prestatievergoedingen uitgekeerd doordat individuele managers een afwijkende performance hebben behaald of doordat op managers niveau afwijkende benchmarkafspraken zijn gemaakt.

Change layout to 1 column

Ontwikkeling transactiekosten

Transactiekosten naar categorie

     
  Transactiekosten 2018 € mln Transactiekosten 2017 € mln
Vastrentende waarden    
Staatsobligaties 11 21
Bedrijfsobligaties 74 71
Obligaties opkomende markten 33 26
Inflatiegerelateerd    
Inflatiegerelateerde obligaties 19 32
Alternative inflation - -
Aandelen    
Aandelen ontwikkelde landen 43 61
Aandelen opkomende landen 38 52
Alternatieve beleggingen    
Vastgoed 22 24
Private equity 3 5
Hedgefondsen 87 83
Grondstoffen 6 8
Opportunity fund - 1
Infrastructuur 8 21
Overlay    
Overlay & overig 53 65
Totaal 397 467
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers

Change layout to 2 columns

De transactiekosten zijn in 2018 met € 70 miljoen gedaald. Dit komt met name doordat in 2018 minder aan- en verkooptransacties hebben plaatsgevonden binnen de liquide portefeuilles. Daarnaast zijn de transactiekosten voor rente- en valuta-swaps gedaald. Bij vastrentende waarden- en swaps-transacties worden geen afzonderlijke transactiekosten gefactureerd. Deze kosten zijn inbegrepen in de transactieprijs (de spread). De spreadkosten worden berekend aan de hand van een vaste kostenopslag die is afgeleid uit het verschil tussen de aan- en verkoopprijzen.

Marktvergelijking van de vermogensbeheerkosten

Het bestuur vindt het belangrijk om te toetsen hoe de vermogensbeheerkosten van ABP zich verhouden tot die van andere nationale en internationale fondsen en of deze effectief zijn aangewend. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de Pensioenfederatie inzake de uitvoeringskosten. Hiertoe doet ABP jaarlijks mee aan het internationale benchmarkonderzoek van CEM waarbij we ons bewust zijn van de beperkingen welke een benchmarkonderzoek met zich mee brengt. Uit het meest recente onderzoek (2017) is naar voren gekomen dat dat de vermogensbeheerkosten van ABP, rekening houdend met beleggingsmix en beleggingsstijl, gemiddeld iets lager zijn, vergeleken met vergelijkbare internationale pensioenfondsen. Tegelijkertijd is er wel sprake van toegevoegde waarde; dit is het verschil tussen het werkelijk behaalde rendement na kosten en het benchmark-rendement. Uit het meeste recente CEM rapport (2018 is nog niet beschikbaar) blijkt dat de toegevoegde waarde van ABP over een vijfjaarsperiode (2013-2017) met 0,9% (voor ABP € 19,3 miljard) hoger is dat de toegevoegde waarde van de van de vergelijkbare Nederlandse pensioenfondsen van 0,3%.