Terug naar boven

Uitvoeringskosten

 
In 2017 heeft ABP opnieuw veel aandacht besteed aan kostenbeheersing bij de uitvoering van de pensioenregeling. De pensioenbeheerkosten kwamen voor het vijfde jaar op rij lager uit. De absolute totale vermogensbeheerkosten stegen. Deze kosten worden uitgesplitst in beheervergoedingen, prestatievergoedingen en transactiekosten. Uitgedrukt in basispunten laten de verschillende soorten vermogensbeheerkosten verschillende trends zien: de beheervergoedingen daalden in basispunten ten opzichte van 2016, de prestatievergoedingen stegen in basispunten, door een verbetering van het langjarig rendement. De transactiekosten stegen vanwege een uitbreiding van de Pensioenfederatie-definitie voor kosten die hieronder moeten worden verantwoord.

6.1 Ontwikkeling totale uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten bestaan uit kosten voor het pensioenbeheer en voor het vermogensbeheer. Dit zijn de door APG in rekening gebrachte kosten, algemene kosten van het pensioenfonds en kosten van externe vermogensbeheermanagers. De algemene operationele kosten van het pensioenfonds zelf worden waar mogelijk specifiek toegewezen aan pensioenbeheer en aan vermogensbeheer. Daar waar dat niet mogelijk is, worden de kosten met een sleutel verdeeld.

Over 2017 daalden de kosten van pensioenbeheer. Bij vermogensbeheer daalden de beheervergoedingen met 1,6 basispunt, terwijl de prestatievergoedingen stegen met 5,2 basispunt. Dit laatste is vooral het gevolg van de goede rendementen, waarmee deze vergoedingen direct samenhangen (zie het kader verderop in dit hoofdstuk). Ook de transactiekosten stegen, wat is toe te schrijven aan nieuwe richtlijnen van de Pensioenfederatie voor kosten die hieronder vallen. Hierna wordt de ontwikkeling van de kosten voor pensioenbeheer en vermogensbeheer verder toegelicht.

De gerealiseerde kostenverlagingen zijn het resultaat van de meerjarenafspraken die ABP met uitvoerder APG heeft gemaakt. In het verslagjaar was onder meer het effect merkbaar van de efficiencyslagen die APG in 2016 heeft doorgevoerd. Wij blijven ons samen inspannen om waar mogelijk de kosten verder te verlagen. Hoewel de doelstelling van verdere kostenverlaging hoog op de agenda van het bestuur staat, waken wij er nadrukkelijk voor dat dit niet ten koste gaat van rendement, risico en verantwoorde uitvoering.

6.2 Pensioenbeheerkosten

Kostprijs per deelnemer weer gedaald

De kostprijs per deelnemer is voor ABP de belangrijkste kostenindicator voor pensioenbeheer. Deze indicator heeft in 2017 wederom een daling laten zien: ten opzichte van 2016 daalde de kostprijs per deelnemer met € 3 naar € 76.

Kosten van pensioenbeheer

  2017 2016 2015 2014 2013
           
Uitvoeringskosten van pensioenbeheer (x € 1.000) 149.962 155.372 160.450 168.488 169.002
Aantal deelnemers, CEM-definitie 1.979.560 1.955.177 1.915.019 1.909.083 1.888.783
           
Kosten per deelnemer in € 76 79 84 88 89
Verschil t.o.v. vorig jaar -3 -5 -4 -1 0
           
 
* De CEM-cijfers over 2017 komen pas medio 2018 beschikbaar.

 

In 2017 zijn de totale uitvoeringskosten van pensioenbeheer uitgekomen op € 150 miljoen (2016: € 155 miljoen); deze omvatten de kosten van deelnemerstransacties, communicatie met deelnemers, werkgevers- en gegevensbeheer, governance en financieel beheer. Een kostendaling werd gerealiseerd door onze pensioenuitvoerder APG, mede dankzij de verdergaande digitalisering van de communicatie met deelnemers. Tegelijkertijd namen de kosten toe vanwege een aantal grote projecten die zijn uitgevoerd in 2017: de herinrichting van het vermogensbeheerproces, het aanpassen van de pensioenregeling in het kader van de vereenvoudiging van de regeling, wijzigingen in wet- en regelgeving die van overheidswege doorgevoerd moesten worden, zoals de ontwikkeling van het UPO voor gepensioneerden en aanpassingen in de aanlevering van gegevens voor het Nationaal Pensioenregister, aanpassingen in het kader van aangescherpte toezichteisen. Per saldo werd toch een daling van € 5 miljoen gerealiseerd. 

In de totale uitvoeringskosten zit ook een bedrag van € 10,0 miljoen toegerekende eigen kosten van het pensioenfonds. Deze post is hoger uitgekomen dan in 2016 (€ 8,8 miljoen). Deze stijging is toe te schrijven aan de versterking van het bestuursbureau, met name van de risicomanagementfunctie. 

Dalende lijn vasthouden

De absolute kosten voor pensioenbeheer zijn de afgelopen vijf jaar gedaald. Wij streven ernaar deze dalende lijn vast te houden. In 2017 hebben we daarom met APG nieuwe, scherpe afspraken gemaakt met concrete plannen om een verdergaande kostendaling te realiseren. Belangrijke impulsen die de komende jaren voor een verdere kostenverlaging voor het pensioenbeheer kunnen zorgen, zijn de vermindering van de complexiteit van de pensioenregeling en verdere digitalisering van de communicatie en administratie.

Marktvergelijking van de pensioenbeheerkosten

Het bestuur monitort de ontwikkeling van de kosten van pensioenbeheer door jaarlijks deel te nemen aan de wereldwijde benchmarkvergelijkingen door CEM. Deze benchmark vergelijkt ABP met:

  • een groep grote Nederlandse pensioenfondsen;
  • een groep grote Nederlandse én buitenlandse pensioenfondsen;
  • een totale groep van Nederlandse én buitenlandse pensioenfondsen

Op het moment van de afronding van dit jaarverslag zijn nog geen CEM-gegevens over 2017 beschikbaar.

De kosten voor pensioenbeheer per ABP-deelnemer (€ 79) lagen in 2016 onder het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen (€ 99), en onder het gemiddelde van de totale groep (€ 98). Vergeleken met de gemiddelde kosten van de grote Nederlandse en buitenlandse fondsen samen (€ 73) lagen de kosten van ABP hoger. Van deze benchmarkgroep komen de kosten lager uit doordat de buitenlandse fondsen het gemiddelde kostenniveau verlagen: in deze landen zijn de pensioenregelingen en daarmee het beheer aanzienlijk minder complex. 

In onderstaande grafiek is, om de meerjarige trend weer te geven, het verloop van de kostprijs per deelnemer voor ABP en voor de groep grote Nederlandse pensioenfondsen weergegeven. De groep met grote Nederlandse pensioenfondsen is voor ABP het meest relevant omdat deze het best vergelijkbaar is met ABP.

CEM vergelijkt in de benchmark pensioenbeheer ook de service van de fondsen. De benchmarkvergelijking laat zien dat ABP met een score van 87 punten (2016) een hoge service biedt en daarmee tot de top van de pensioenwereld behoort. De ABP-servicescore ligt boven het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen (85 punten).

Change layout to 1 column

Vermogensbeheerkosten in hun context

De vermogensbeheerkosten bestaan uit beheervergoedingen en prestatievergoedingen. De beheervergoedingen kunnen door het bestuur worden gestuurd met keuzes in bijvoorbeeld de portefeuillesamenstelling en de hiermee samenhangende keuze tussen liquide en illiquide beleggingen. Vervolgens is het de taak van het uitvoeringsbedrijf om te kijken naar een optimale verdeling tussen intern beheerde portefeuilles en uitbesteding aan gespecialiseerde externe managers, waarmee hogere kosten zijn gemoeid. Prestatievergoedingen kunnen in mindere mate worden beïnvloed. Bij het verstrekken van een extern mandaat maakt het uitvoeringsbedrijf afspraken voor een prestatievergoeding. Onderdeel van die afspraken is dat alleen sprake kan zijn van een prestatievergoeding wanneer de externe manager een rendement realiseert boven een minimum afgesproken (benchmark)rendement. ABP betaalt de prestatievergoeding dus uit het behaalde extra rendement voor het pensioenfonds. Hoe hoger dat rendement is, des te gunstiger voor onze deelnemers, maar hoe hoger ook de absolute kosten. Pas op het moment dat een externe manager een (meerjarige) performance boven het afgesproken (benchmark)rendement behaalt, is ABP bereid prestatievergoedingen te betalen. Het gebruik van prestatievergoedingen is ook een van de middelen waarmee we de belangen van ABP en de externe manager beter op elkaar kunnen afstemmen. ABP betaalt prestatievergoedingen bij illiquide beleggingen doorgaans (pas) op basis van gerealiseerde rendementen. Dit betekent dat prestatievergoedingen tot die tijd worden bepaald (en niet per se betaald) op basis van ongerealiseerde rendementen. Bij een lagere performance over een bepaalde periode kan het dus gebeuren dat de reservering voor prestatievergoedingen naar beneden moet worden bijgesteld, met een negatieve prestatievergoeding over die periode als gevolg.

Belangrijk is dat de evaluatie van de vermogensbeheerkosten altijd moet worden gedaan in relatie tot het beoogde rendement en de daarmee gemoeide risico’s. Naast rendement, risico en kosten is de factor duurzaamheid een belangrijk element in ons beleggingsproces. De keuzes ten aanzien van de manier waarop wordt belegd en de verhoudingen tussen beleggingscategorieën waarin wordt belegd, zijn twee belangrijke kostendrivers voor een pensioenfonds. Dat geldt ook voor de omvang van het belegd vermogen en de behaalde performance.

Mede door de schaalgrootte van ABP zijn de absolute bedragen aan vermogensbeheerkosten hoog. Dit leidt regelmatig tot vragen over nut en noodzaak van deze kosten, vooral bij deelnemers. Een actieve beleggingsstijl biedt de beste mogelijkheid om de beoogde rendementsdoelstellingen te behalen en zo een goed pensioen voor deelnemers te realiseren. Deze keuze brengt hogere kosten met zich mee dan bijvoorbeeld een passieve stijl die de benchmark volgt, maar dit wordt op termijn in het belang van alle deelnemers geacht.

 

6.3 Vermogensbeheerkosten

Niveau beheervergoeding omlaag, prestatievergoedingen stijgen in lijn met rendement

De ontwikkeling van de beleggingskosten kende in 2017 twee kanten. Enerzijds daalden de beheervergoedingen gemeten in basispunten (-1,6 bp), anderzijds stegen de prestatievergoedingen in basispunten (+5,2 bp). Deze stijging hangt samen met het gerealiseerde rendement: in 2017 heeft ABP een rendement boven de benchmark behaald van 1,0% (2016: 0,6%), zie ook de kolom 'Relatieve bijdrage'  in de tabel Nettorendement en benchmark in het hoofdstuk Vermogensbeheer. Dit correspondeert met een netto rendement voor de deelnemers van € 3,9 miljard (na aftrek van alle kosten, zowel beheervergoedingen als prestatievergoedingen). De absolute kosten van het vermogensbeheer namen toe met € 290 miljoen ten opzichte van 2016. Hierna volgt een verdere toelichting. 

Aansluiting kosten vermogensbeheer

Net als in voorgaande jaren zijn in de jaarrekening de kosten verantwoord volgens de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 610. Dit betreft de gefactureerde kosten. Niet-gefactureerde kosten van de externe vermogensbeheerders zijn in de jaarrekening gesaldeerd met beleggingsresultaten. Het gevolg is dat in de jaarrekening (Toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten, zie de tabel Beleggingsresultaten netto) een lager bedrag aan kosten is verantwoord dan in het bestuursverslag. De onderstaande tabel geeft de aansluiting tussen beide weer.

Aansluiting kosten vermogensbeheer

in € mln

  Totaal 2017 Totaal 2016
Bestuursverslag    
Beheervergoedingen 1.391 1.365
Prestatievergoedingen 1.131 867
Transactiekosten 467 204
Totaal 2.989 2.436
Jaarrekening    
Rechtstreeks gefactureerde kosten: Beheervergoeding 402 390
Verschil: 2.587 2.046
betreft: niet rechtstreeks gefactureerde kosten (onderdeel van beleggingsresultaten in de jaarrekening)    
 
 

Hieronder lichten we toe hoe de vermogensbeheerkosten zich in 2017 hebben ontwikkeld. Daarbij maken we onderscheid tussen beleggingskosten en transactiekosten. In de volgende tabel zijn de beleggingskosten van 2017 en 2016 opgenomen.

Beleggingskosten

    2017   2016
  € mln bp € mln bp
         
Beheervergoeding 343 8,8 335 9,1
Beheervergoeding externe vermogensbeheerders 827 21,1 808 22,0
Bewaarloon 50 1,3 48 1,3
Overige kosten 170 4,4 173 4,7
Beheervergoedingen 1.391 35,6 1.365 37,2
Prestatievergoedingen 1.131 28,9 867 23,7
Beleggingskosten 2.522 64,5 2.232 60,9
 

 

De beleggingskosten in basispunten (bp) zijn in 2017 met 3,6 bp gestegen tot 64,5 bp. Deze stijging is geheel toe te schrijven aan de gestegen prestatievergoedingen (+ 5,2 bp); de beheervergoedingen daalden met 1,6 bp. De stijging van prestatievergoedingen wordt verderop toegelicht. De lagere beheervergoeding is te verklaren doordat met het uitvoeringsbedrijf een relatief lagere vergoeding is afgesproken. Verder heeft de keuze voor meer intern beheer, meer directe investeringen en verlaging van de vergoedingen voor een aantal externe vermogensbeheerders geresulteerd in lagere kosten.

Het bestuur heeft de doelstelling om de komende jaren deze lijn voort te zetten; in 2017 zijn hiertoe nieuwe resultaatafspraken gemaakt met APG. Deze focus heeft geresulteerd in een kostenniveau van beheervergoedingen dat ultimo 2017 11,3 bp lager ligt dan in 2012. 

Beleggingsmix is belangrijke bepalende factor

De beleggingsmix is een van de belangrijkste bepalende factoren voor de totale beleggingskosten. In de volgende tabel zijn de kosten opgenomen per beleggingscategorie. Het kostenniveau van alternatieve beleggingen (51,6 bp, 2016: 49,9 bp) is hoger dan die van vastrentende waarden (3,0 bp, 2016: 3,6 bp), maar deze categorie biedt aanzienlijk betere rendementsperspectieven. Opvallend zijn de hoge kosten voor private equity en hedgefondsen. Beide categorieën maken samen 10% van de portefeuille uit, maar zijn verantwoordelijk voor 39,3 van de totale 64,5 basispunten aan vermogensbeheerkosten. Het bestuur vindt deze kosten gerechtvaardigd omdat deze categorie een positieve bijdrage levert aan het risico- en rendementsrisicoprofiel (betere risicospreiding door diversificatie). Gevolg van de keuze voor een hogere allocatie naar illiquide beleggingen is een hoger kostenniveau, omdat deze duurder zijn dan liquide beleggingen

Van illiquide beleggingen zijn de werkelijke kosten over het vierde kwartaal niet altijd tijdig beschikbaar. In die situaties zijn de werkelijke kosten tot en met het derde kwartaal opgenomen, aangevuld  met schattingen voor het vierde kwartaal (gebaseerd op de werkelijke kosten van het vierde kwartaal van het jaar daarvoor).

Change layout to 1 column

Beleggingskosten naar categorie

    2017       2016    
                 
  Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   119   3,0   133   3,6
Staatsobligaties 54.533 25 5 0,7 57.671 28 5 0,8
Bedrijfsobligaties 51.930 65 13 1,7 50.177 60 12 1,6
Obligaties opkomende markten 11.384 28 25 0,7 9.526 45 47 1,2
Inflatiegerelateerd   17   0,4   18   0,5
Inflatiegerelateerde obligaties 31.735 15 5 0,4 30.838 15 5 0,4
Alternative inflation 2.122 2 11 0,1 2.382 3 12 0,1
Aandelen   354   9,1   240   6,5
Aandelen ontwikkelde landen 100.858 157 16 4,0 86.258 133 16 3,6
Aandelen opkomende landen 35.974 197 55 5,0 30.124 107 35 2,9
Alternatieve beleggingen   2.018   51,6   1.827   49,9
Vastgoed 38.956 238 61 6,1 37.609 260 69 7,1
Private equity 18.876 1.032 547 26,4 18.017 834 463 22,7
Opportunity fund 2.006 29 144 0,7 2.407 70 290 1,9
Grondstoffen 16.321 60 37 1,5 14.163 59 41 1,6
Infrastructuur 9.873 154 156 3,9 8.166 105 129 2,9
Hedgefondsen 18.525 505 273 12,9 19.034 500 263 13,6
Overlay   13   0,3   13   0,4
Overlay & overig -1.818 13   0,3 184 13   0,4
Totaal beheer- en prestatievergoedingen 391.276 2.522   64,5 366.556 2.232   60,9
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers

Beheervergoedingen naar categorie

    2017       2016    
                 
  Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   110   2,9   107   2,9
Staatsobligaties 54.533 25 5 0,7 57.671 28 5 0,8
Bedrijfsobligaties 51.930 58 11 1,5 50.177 56 11 1,5
Obligaties opkomende markten 11.384 26 23 0,7 9.526 23 24 0,6
Inflatiegerelateerd   17   0,4   18   0,5
Inflatiegerelateerde obligaties 31.735 15 14 0,4 30.838 15 5 0,4
Alternative inflation 2.122 2 11 0,1 2.382 3 12 0,1
Aandelen   193   5,0   166   4,6
Aandelen ontwikkelde landen 100.858 104 10 2,7 86.258 91 11 2,5
Aandelen opkomende landen 35.974 89 25 2,3 30.124 75 25 2,1
Alternatieve beleggingen   1.057   27,1   1.061   28,9
Vastgoed 38.956 207 53 5,3 37.609 212 56 5,8
Private equity 18.876 384 204 9,8 18.017 363 201 9,9
Opportunity fund 2.006 30 148 0,8 2.407 39 161 1,1
Grondstoffen 16.321 50 31 1,3 14.163 46 32 1,2
Infrastructuur 9.873 105 106 2,7 8.166 97 118 2,6
Hedgefondsen 18.525 282 152 7,2 19.034 305 160 8,3
Overlay   13   0,3   13   0,4
Overlay & overig -1.818 13   0,3 184 13   0,4
Totaal beheer- en prestatievergoedingen 391.276 1.391   35,5 366.556 1.365   37,2
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers

Prestatievergoedingen naar categorie

    2017       2016    
                 
  Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal Gemiddeld belegd vermogen € mln € mln bp per cat. bp v/h totaal
                 
Vastrentende waarden   9   0,2   26   0,7
Staatsobligaties 54.533 - - - 57.671 - - -
Bedrijfsobligaties 51.930 7 1 0,2 50.177 4 1 0,1
Obligaties opkomende markten 11.384 2 2 - 9.526 22 23 0,6
Inflatiegerelateerd   -   -   -   -
Inflatiegerelateerde obligaties 31.735 - - - 30.838 - - -
Alternative inflation 2.122 - - - 2.382 - - -
Aandelen   162   4,1   74   2,0
Aandelen ontwikkelde landen 100.858 53 5 1,3 86.258 43 5 1,2
Aandelen opkomende landen 35.974 109 30 2,8 30.124 31 10 0,8
Alternatieve beleggingen   960   24,5   767   20,9
Vastgoed 38.956 31 8 0,8 37.609 49 13 1,3
Private equity 18.876 647 343 16,5 18.017 471 261 12,8
Opportunity fund 2.006 -1 -4 - 2.407 31 130 0,9
Grondstoffen 16.321 10 6 0,2 14.163 13 9 0,4
Infrastructuur 9.873 49 50 1,3 8.166 9 11 0,2
Hedgefondsen 18.525 224 121 5,7 19.034 195 103 5,3
Overlay   -   -       -
Overlay & overig -1.818 -     184 -   -
Totaal beheer- en prestatievergoedingen 391.276 1.131   28,9 366.556 867   23,7
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers

Change layout to 2 columns

De stijging van de prestatievergoedingen is vooral het gevolg van hogere prestatievergoedingen bij aandelen opkomende markten, private equity, hedgefondsen en infrastructuur. De hogere prestatievergoedingen bij aandelen opkomende markten zijn het gevolg van de hogere performance (een groter positief verschil ten opzichte van de benchmark).

Bij hedgefondsen is over 2017 sprake van een negatief rendement van -7,5% (2016: 7,9% positief). Echter beide jaren is het behaalde rendement wel hoger dan het benchmark rendement (2017: 66 basispunten positief en 2016: 79 basispunten positief). Aangezien binnen hedgefondsen de prestatievergoedingen worden bepaald op basis van excess rendement, zijn over beide jaren prestatievergoedingen verschuldigd. De zichtbare stijging in absolute prestatievergoedingen wordt met name veroorzaakt door verschillen in performance van externe managers. Hierdoor bestaat geen volledig recht evenredig verband tussen performance en prestatievergoedingen op beleggingscategorieniveau.

Bij private equity en infrastructuur zijn prestatievergoedingen niet afhankelijk van prestaties ten opzichte van een relatieve benchmark maar juist ten opzichte van absolute rendementsdoelstellingen. Met externe private equity managers worden veelal prestatieafspraken afgesproken in lokale valuta. In 2017 hebben veel Amerikaanse externe managers een hoog rendement (in USD) behaald waardoor ze aanspraak maken op een performance fee. Echter omgerekend naar euro’s is dit rendement lager. Een deel van dit valutarisico is binnen de overlay portefeuille afgedekt. Binnen de private equity portefeuille is deze afdekking dan ook niet zichtbaar. In 2016 was sprake van het tegenovergestelde effect: valutakoersschommelingen hadden een positief effect op het gerapporteerde rendement. Per saldo leidt dit tot een beeld van hogere prestatievergoedingen over 2017 bij een lager rendement.

Private equity en hedgefondsen zijn de beleggingscategorieën met de hoogste kostenniveaus. ABP belegt in private equity voor het relatief hoge netto rendement dat hiermee na aftrek van alle kosten wordt behaald. Over 2017 is een netto rendement van 9,7% behaald. Over de afgelopen 5 jaar was dit rendement gemiddeld 17,9% per jaar. Exclusief valutaresultaten bedraagt dit 5-jaarsrendement 15,7%. Tegenover het hogere kostenniveau bij hedgefondsen staat een verlaging van het risico van de beleggingsportefeuille. Over 2017 is een netto rendement van -7,5% behaald. In de afgelopen 5 jaar heeft ABP in de categorie hedgefondsen, na aftrek van kosten, een rendement van 6,1% gerealiseerd. Exclusief valutaresultaten bedraagt dit 5-jaarsrendement 4,1%.

Bij het opportunity fund was er sprake van een negatieve prestatievergoeding (zie de kadertekst in dit hoofdstuk voor uitleg), vanwege minder goede prestaties van olie- en gas-gerelateerde beleggingen.

Change layout to 1 column

Transactiekosten 

Transactiekosten naar categorie

       
  Transactiekosten 2017 € mln Transactiekosten 2017 (obv grondslagen 2016) € mln Transactiekosten 2016 € mln
Vastrentende waarden      
Staatsobligaties 21 14 15
Bedrijfsobligaties 71 15 9
Obligaties opkomende markten 26 2 24
Inflatiegerelateerd      
Inflatiegerelateerde obligaties 32 5 4
Alternative inflation - - 1
Aandelen      
Aandelen ontwikkelde landen 61 37 31
Aandelen opkomende landen 52 14 21
Alternatieve beleggingen      
Vastgoed 24 18 20
Private equity 5 5 11
Hedgefondsen 83 - 3
Grondstoffen 8 10 8
Opportunity fund 1 1 -
Infrastructuur 21 21 9
Overlay      
Overlay & overig 65 65 48
Totaal 467 207 204
 
Tellingen betreffen totalen van niet afgeronde cijfers

*voor vergelijkingsdoeleinde zijn in bovenstaande tabel behalve de transactiekosten van 2017 en 2016 ook de kosten van 2017 opgenomen op basis van de definities zoals op de cijfers van 2016 van toepassing waren.

Change layout to 2 columns

De toename van transactiekosten in 2017 is met name het gevolg van een wijziging in de definitie van de transactiekosten zoals gehanteerd door de Pensioenfederatie. De aanbevelingen van de Pensioenfederatie schrijven namelijk voor dat met ingang van 2017 de integrale transactiekosten moeten worden gerapporteerd. Deze bevatten meer kostensoorten dan voorheen, met als gevolg dat de gerapporteerde transactiekosten over 2017 fors hoger zijn dan de over 2016 gerapporteerde transactiekosten. Zo worden de kosten van transacties die samenhangen met wijzigingen in de portefeuilles (niet zijnde in- en uittredingen) nu ook gerapporteerd. 

De stijging van de transactiekosten door deze nieuwe, ruimere definitie van transactiekosten is met name groot bij hedgefondsen. Hier worden meer onderliggende transactiekosten (zoals kosten van brokers, transactiebelastingen en (spread) kosten van transacties in vastrentende waarden) meegenomen, terwijl voorheen alleen de in- en uitstapvergoedingen werden gerapporteerd. 

Vanaf 2017 worden onder transactiekosten voor liquide beleggingen (vastrentende waarden, aandelen en grondstoffenderivaten) kosten verstaan die gemaakt worden om een transactie tot stand te brengen of uit te voeren. Dit zijn kosten die aan een beurs of aan een broker moeten worden betaald. De nieuwe definitie van de Pensioenfederatie stelt ook dat de spreadkosten op vastrentende waarden moeten worden meegenomen. Deze spreadkosten maken een groot deel uit van de extra kosten die nu worden gerapporteerd. Voor de valuta en renteswaps wordt bij de berekening van de (impliciete) transactiekosten gebruik gemaakt van een standaardspread.

Voor illiquide of alternatieve beleggingen is de methodiek voor het rapporteren van transactiekosten ten opzichte van 2016 niet gewijzigd. Net als voorheen worden voor deze categorie beleggingen de kosten van externe adviseurs zoals accountants, fiscalisten, juristen en taxateurs gerapporteerd. Deze kosten worden eveneens gerapporteerd op het moment dat tussentijds het transactieproces wordt stopgezet.

Als de transactiekosten voor 2017 zouden zijn bepaald op basis van dezelfde definities als in 2016, dan zouden de transactiekosten met € 3 miljoen zijn gestegen tot € 207 miljoen. Voor zowel 2016 als 2017 geldt dat alle transactiekosten al in mindering zijn gebracht op de in het jaarverslag getoonde rendementen.

Marktvergelijking van de vermogensbeheerkosten 

Het bestuur vindt het belangrijk om ook te toetsen hoe de vermogensbeheerkosten van ABP zich verhouden tot die van andere nationale en internationale fondsen en of deze effectief zijn aangewend. Hiertoe doet ABP jaarlijks mee aan het benchmarkonderzoek van CEM. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de vermogensbeheerkosten van ABP, rekening houdend met beleggingsmix en beleggingsstijl, gemiddeld lager zijn, zowel vergeleken met  nationale als met internationale peers. Ook is sprake van een hogere toegevoegde waarde. Uit het CEM-rapport blijkt  dat de toegevoegde waarde over een 5-jaarsperiode (2012 - 2016) € 7,2 miljard hoger is dan de toegevoegde waarde van de benchmarkpeers.

Gezien de gerealiseerde rendementen en de meerjarige CEM-uitkomsten, kunnen wij concluderen dat de vermogensbeheerkosten, rekening houdend met keuzes in beleggingsmix en beleggingsstijl, effectief worden besteed en leiden tot een hoge toegevoegde waarde voor de deelnemers. Voor 2018 ligt de focus op meer intern beheer, verlaging van de betaalde vergoedingen aan externe beheerders door heronderhandelingen en uitbreiding van het programma om private equity-managers door de uitvoerder zelf te laten selecteren en monitoren, waardoor een tussenlaag aan (‘fund-of-fund’-)kosten wordt voorkomen.

Change layout to 1 column