Terug naar boven

Enkelvoudige jaarrekening

1.1

Enkelvoudige balans

na resultaatbestemming, in € mln

  31-12-2017 31-12-2016
ACTIVA    
     
- vastgoedbeleggingen 51.055 48.663
- aandelen 170.150 150.449
- vastrentende waarden 156.978 153.104
- derivaten 27.626 29.476
- overige beleggingen 46.966 38.766
Beleggingen (1) 452.775 420.458
     
Overige activa (2) 1.824 1.852
     
Totaal activa 454.599 422.310
     
     
     
PASSIVA    
     
- algemene reserve 17.186 -13.223
- bestemmingsreserves 709 521
Eigen vermogen (3) 17.895 -12.702
     
Voorziening pensioenverplichtingen (VPV) (4) 391.652 395.039
     
- ontvangen zekerheden 17.104 14.491
- shortposities 77 619
- kortgeld o/g 18.061 8.779
- derivaten 8.875 15.324
Passiva beleggingen-gerelateerd (5) 44.117 39.213
     
Schulden en overige passiva (6) 935 760
     
Totaal passiva 454.599 422.310
 

1.2

Enkelvoudige staat van baten en lasten

in € mln

  2017 2016
BATEN    
Premiebijdragen (netto) (7) 9.064 7.765
     
- beleggingsresultaten (bruto) 29.309 33.498
- af: kosten vermogensbeheer -402 -390
Beleggingsresultaten (netto) (8) 28.907 33.108
Totaal baten 37.971 40.873
LASTEN    
Pensioenuitkeringen (9) -10.699 -10.296
     
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen:    
- pensioenopbouw -12.813 -10.525
- rentetoevoeging 859 217
- onttrekking voor pensioenuitkeringen 10.765 10.334
- resultaat op actuariële grondslagen 97 -35
- onttrekking voor kosten pensioenbeheer 79 76
- ontwikkeling marktrente 4.874 -31.958
- wijziging actuariële grondslagen 83 -1.946
- wijziging uit hoofde van overdracht van rechten -2 -8
- overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen -555 169
Totaal mutatie voorziening pensioenverplichtingen (10) 3.387 -33.676
Dekking uit kostenopslag pensioenpremies (11) 109 102
Saldo overdracht van rechten (12) 16 6
Kosten pensioenbeheer (netto) (13) -150 -155
Rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd -4 -5
Overige baten en lasten -33 30
Totaal lasten -7.374 -43.994
SALDO BATEN EN LASTEN 30.597 -3.121
Bestemming van het saldo van baten en lasten:    
- toevoeging algemene reserve 30.409 -3.257
- toevoeging/ onttrekking bestemmingsreserves 188 136
     
 

1.3

Enkelvoudig kasstroomoverzicht

in € mln

  2017 2016
BEGINSTAND GELDMIDDELEN 144 1.033
MUTATIES    
Kasstromen uit pensioenactiviteiten:    
- ontvangen premies 9.428 8.133
- ontvangen in verband met overdracht van rechten (12) 18 17
- betaalde pensioenuitkeringen (9) -10.699 -10.296
- betaald in verband met overdracht van rechten (12) -2 -11
- betaalde kosten pensioenbeheer (13) -150 -155
- overige mutaties - 33
     
Kasstroom uit pensioenactiviteiten -1.405 -2.279
     
Kasstromen uit beleggingsactiviteiten:    
- verkopen en aflossingen van beleggingen (1) 47.715 31.408
- verstrekkingen en aankopen van beleggingen (1) -64.442 -36.972
- directe beleggingsopbrengsten (8) 7.029 6.518
- indirecte gerealiseerde resultaten uit derivaten en valutaresultaten 6.948 -708
- betaalde kosten beleggingen (8) -402 -390
- overige mutaties 5.254 1.534
     
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten 2.102 1.390
     
EINDSTAND GELDMIDDELEN (14) 841 144
 

1.4 Toelichtingen algemeen

1.4.1

1.4.1.1 Kenmerken van de pensioenregelingen
1.4.1.1.1 Inleiding

ABP is het pensioenfonds voor mensen die werken bij overheid, onderwijs en aangewezen en toegelaten 'lichamen', alsmede de bedrijfstak luchthavens. De inhoud van de regeling wordt bepaald door de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). Pas nadat ABP de door de Pensioenkamer overeengekomen regelingen heeft getoetst op financiële haalbaarheid, uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid draagt ABP zorg voor de uitvoering.

De rechtsverhouding tussen ABP en de aangesloten werkgevers is vastgelegd in het uitvoeringsreglement, die tussen ABP en de deelnemers in het pensioenreglement.

Het uitvoeringsreglement bevat onder meer bepalingen over verplichte en vrijwillige aansluiting, te verstrekken gegevens en informatie en de afdracht van premies. Het pensioenreglement bevat de bepalingen omtrent de pensioenaanspraken en pensioenrechten. Voor de inhoud van beide reglementen verwijzen wij u naar de website van het fonds (www.abp.nl). In deze paragraaf gaan we in hoofdlijnen in op de kenmerken van de pensioenregelingen.

1.4.1.1.2 Algemeen

Pensioen wordt opgebouwd gedurende het werkzame leven en verstrekt bij stoppen met werken, arbeidsongeschikt raken of aan de nabestaanden bij overlijden. De pensioenopbouw wordt fiscaal niet als loon gezien en is dus belastingvrij. De pensioenuitkering wordt belast (zogenoemde omkeerregeling), met uitzondering van het netto pensioen, waarbij de uitkering belastingvrij is. De opgebouwde rechten zijn onvoorwaardelijke verplichtingen van het fonds aan de deelnemers. Het fonds houdt alle risico’s in eigen beheer. Van herverzekering is geen sprake. Bij beëindiging van de deelneming stopt de pensioenopbouw.

Voor wachtgelders, deelnemers met recht op een ontslaguitkering, WW-ers en arbeidsongeschikten is sprake van gedeeltelijke voortzetting van de pensioengeldige tijd. Bij arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval of beroepsziekte geldt een voortzetting van de pensioengeldige tijd van maximaal 100%.

De jaarlijkse opbouw is afhankelijk van de volgende vijf factoren: het opbouwpercentage, de franchise, het pensioengevend inkomen, de meetellingswaarde en de deeltijdfactor. Het pensioengevend inkomen bestaat uit het vaste salaris, vaste toelagen en pensioengevende variabele toelagen uit het voorgaande kalenderjaar. De meetellingswaarde betreft het percentage waarmee het pensioenproduct wordt opgebouwd. De pensioenpremies worden geheven over het inkomen boven de franchise (over het eerste deel van het inkomen, zijnde de franchise, wordt al AOW-premie ingehouden) en afgedragen door de werkgevers. De franchise voor de premie kan anders zijn dan de franchise voor de opbouw van nieuwe aanspraken. Deze laatste is namelijk inkomensafhankelijk, terwijl de premiefranchise voor iedereen gelijk is. De werkgevers nemen volgens de afspraken uit de Pensioenovereenkomst 70% van de premie (ouderdoms- en nabestaandenpensioen, ANW-compensatie en AOP) voor hun rekening en houden 30% in op het inkomen van de werknemers. Voor de premie inkoop voorwaardelijk pensioen geldt een andere verdeling.

Op individueel en collectief niveau kunnen met inachtneming van het pensioenreglement, afspraken worden gemaakt over het pensioengevend zijn van bepaalde variabele inkomensbestanddelen. Op basis van wettelijke bepalingen zijn sommige inkomensbestanddelen niet pensioengevend.

Vanaf 1 januari 2017 is het pensioengevend salaris gemaximeerd op € 103.317 (dit bedrag wordt jaarlijks via een ministeriële regeling aangepast) bij een volledige dienstbetrekking.

ABP wil de ingelegde pensioenpremies maatschappelijk verantwoord beleggen en optimaal laten renderen. Het beleggingsbeleid is er op gericht om op lange termijn voldoende rendementen te behalen zodat de pensioenaanspraken en pensioenrechten, met behoud van een betaalbaar premieniveau én een aanvaardbaar risico, kunnen worden geïndexeerd.

Indexatie leidt tot een verhoging van de pensioenaanspraken en rechten en daarmee tot een verhoging van de onvoorwaardelijke verplichtingen van het fonds. Per jaar beoordeelt ABP of indexatie kan plaatsvinden, waarbij de prijsontwikkeling (CPI) de indexatieambitie is. Indexatie wordt alleen verstrekt als de financiële positie van het fonds dit toelaat. Het verlenen van na-indexatie ter compensatie van eerder niet volledig verleende indexatie of doorgevoerde kortingen is onderdeel van de indexatie-ambitie. Bij een ontoereikende financiële positie van het fonds moeten de pensioenen in het uiterste geval nominaal worden verlaagd.

1.4.1.1.3 De pensioenproducten

De pensioenproducten betreffen ouderdomspensioen (OP), nabestaandenpensioen (NP): dat bestaat uit partnerpensioen (PP) en wezenpensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP, invaliditeitspensioen en herplaatsingstoelagen), ANW-compensatie, sectorale regelingen en individuele vrijwillige aanvullingen.

1.4.1.1.4 Ouderdomspensioen (OP)

De pensioenregeling voor ouderdomspensioen is een middelloonregeling. Elk jaar wordt over het pensioengevend inkomen een stukje pensioen opgebouwd. De pensioenopbouw leidt tot een levenslang recht op pensioen. Tot 2006 opgebouwde aanspraken op flexibel pensioen zijn actuarieel neutraal omgezet in aanspraken op ouderdomspensioen.

Deelnemers kunnen - binnen bepaalde bandbreedtes - op het moment van pensionering ervoor kiezen het pensioen, al dan niet in deeltijd, eerder of later te laten ingaan, pensioenen uit te ruilen (bijvoorbeeld tussen OP en PP) en tijdelijk een hoger of lager pensioen te ontvangen. Daarnaast kunnen deelnemers er voor kiezen om na uitdiensttreden extra pensioen op te bouwen of de regeling vrijwillig voort te zetten.

1.4.1.1.5 Nabestaandenpensioen

De kapitaaldekking van het partnerpensioen heeft alleen betrekking op deelnemers die op of na de 67-jarige leeftijd overlijden. Dat pensioen wordt levenslang uitgekeerd.

Bij overlijden vóór de 67-jarige leeftijd is geen sprake van een kapitaal-gedekt pensioen. Dit betekent dat voor de deelnemer die vóór de leeftijd van 67 jaar uit dienst gaat geen partnerpensioen meer is verzekerd. Dit risico-gedekte partnerpensioen wordt in rentedekking gefinancierd.

Daarnaast kan er in geval van overlijden recht bestaan op wezenpensioen. Het recht op wezenpensioen bestaat tot een maximale leeftijd van 21 jaar van de wees.

1.4.1.1.6 Arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP)

Sinds 2007 is er tot uiterlijk het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd het arbeidsongeschiktheidspensioen, als aanvulling op de verschillende soorten WIA-uitkeringen (wet inkomen en arbeid).

Gedurende het recht op AAOP vindt naar rato van de arbeidsongeschiktheid (mits deze niet het gevolg is van een dienstongeval of beroepsziekte) premievrije opbouw van pensioen plaats van maximaal 50%.

1.4.1.1.7 Inkoop voorwaardelijk pensioen

Bij de afschaffing van VUT en prepensioen hadden werkgevers en werknemers in 2006 en 2007 de mogelijkheid om arbeidsvoorwaardelijke afspraken te maken over extra pensioenopbouw over verstreken dienstjaren. In 2006 is in de regeling opgenomen de inkoop voorwaardelijk pensioen over perioden voor 2006 waarover minder pensioen is opgebouwd dan fiscaal toegestaan. Dit betekent dat de aanspraken voorwaardelijk zijn en pas onvoorwaardelijk worden op 1 januari 2023 of bij pensionering voor die datum. De regeling geldt alleen voor deelnemers die vanaf 31 december 2005 onafgebroken werknemer zijn en geboren zijn op of na 1 januari 1950 of geboren voor 1 januari 1950 die op 1 januari 2006 geen recht heeft gehad op een FPU-uitkering.

1.4.1.1.8 Vrijwillige producten

Het pensioenreglement bevat bepalingen die verschillende vrijwillige mogelijkheden bieden om extra OP/NP op te bouwen, dan wel de regeling OP/NP na uitdiensttreding vrijwillig voort te zetten.

1.4.1.1.9 Nettopensioen

Vanaf 1 januari 2015 is het niet meer mogelijk om fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen over het pensioengevend salaris boven € 100.000 (dit bedrag wordt jaarlijks via een ministeriële regeling aangepast; vanaf 1 januari 2017 is het vastgesteld op € 103.317). De nettopensioenregeling is een beschikbare-premieregeling die bij ABP per 1 oktober 2015 zorgt voor aanvullende pensioenopbouw. De hoogte van dit aanvullende pensioen wordt bepaald door de inleg (premie), de rendementen daarop en de inkooptarieven (met name de solvabiliteitsopslag en rente zijn van invloed) op pensioendatum. De premie wordt betaald vanuit het netto salaris en de pensioenregeling is vrijwillig.

1.4.1.1.10 Uitruilmogelijkheden

De pensioenregeling kent verschillende uitruilmogelijkheden. Zo kan bij ingang van het ouderdomspensioen (OP) uitruil plaatsvinden met het partnerpensioen, of omgekeerd. Verder kan het OP op het moment van einde deelnemerschap (anders dan door ingang OP of overlijden) worden uitgeruild tegen het recht op partnerpensioen.

1.4.1.1.11 Waardeoverdracht

Als een deelnemer in dienst treedt bij een niet bij ABP aangesloten werkgever kan het eerder bij ABP opgebouwde pensioen worden meegenomen naar een ander pensioenfonds. Dan krijgt hij of zij later geen pensioen van ABP, maar van het fonds waaraan het opgebouwde pensioen is overgedragen. Het omgekeerde kan ook. Als een deelnemer in dienst treedt bij een bij ABP aangesloten werkgever, kan het eerder bij een ander pensioenfonds opgebouwde pensioen worden meegenomen naar ABP.

1.4.1.1.12 Pensioenregeling beroepsmilitairen

Beroepsmilitairen hebben een (eigen sectorale) eindloonregeling, die eveneens wordt uitgevoerd door ABP. Werknemers met de status van beroepsmilitair, gewezen beroepsmilitairen met recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen en gewezen beroepsmilitairen met recht op een ontslag- of werkeloosheidsuitkering nemen deel aan deze sectorale regeling. Het burgerpersoneel van Defensie neemt deel in de (reguliere) middelloonregeling van ABP. In 2018 is sprake van een ‘overgangsjaar’ naar een nieuwe toekomstbestendige regeling die waarschijnlijk vanaf 2019 ingaat. Hierover worden in de loop van 2018 door sociale partners verdere afspraken gemaakt.

1.4.1.2 Grondslagen algemeen

De stichting pensioenfonds ABP, statutair gevestigd te Heerlen, met Kamer van Koophandel-nummer 41074000 heeft deze jaarrekening opgesteld op basis van in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening, zoals opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Deze jaarrekening is opgesteld uitgaande van de continuïteitsveronderstelling.

In de balans hebben de pensioenverplichtingen en de daartegenover staande beleggingen hoofdzakelijk een langlopend karakter. De post passiva beleggingen gerelateerd heeft ook een langlopend karakter, maar wordt op basis van de richtlijnen separaat in de balans gepresenteerd. De overige balansposten zijn onder overige activa en overige passiva verantwoord, met het eigen vermogen als sluitpost.

Alle baten en lasten zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben. Mutaties in het eigen vermogen betreffen uitsluitend de verwerking van het saldo van baten en lasten. De baten en lasten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen.

De grondslagen van waardering en resultaatbepaling van de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening zijn gelijk. De bedragen zijn afgerond in miljoenen, tenzij anders vermeld.

1.4.1.3 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

 

Salderingen

Een financieel actief en een financiële verplichting worden uitsluitend gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.

Schattingen

Bij het opstellen van de jaarrekening is gebruik gemaakt van schattingen en veronderstellingen die van invloed zijn op gerapporteerde activa, passiva, baten en lasten. Dit is met name het geval bij het bepalen van de voorziening pensioenverplichtingen en bij de waardering van niet-beursgenoteerde beleggingen. Achteraf kan blijken dat de gehanteerde waarde afwijkt van de feitelijke waarde. 

Verwerking

Activa en passiva zijn, voor zover niet anders vermeld, gewaardeerd tegen actuele waarde. Een actief wordt in de balans opgenomen als het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar het pensioenfonds zullen vloeien en de waarde van het actief betrouwbaar kan worden vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans opgenomen als het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en als de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen als een vermeerdering van het economisch potentieel heeft plaatsgevonden, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, en als de omvang daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Lasten worden verwerkt als een vermindering van het economisch potentieel heeft plaatsgevonden, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, en als de omvang daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

 

1.4.1.4 Grondslagen voor de omrekening van vreemde valuta

De waarde van de ultimo-standen van activa en passiva gehouden buiten de eurozone worden tegen de koersen per balansdatum omgerekend in euro's. De voor omrekening gehanteerde koersen zijn de World Markets Company-fixingkoersen (WM) van de laatste beursdag van het verslagjaar, 16 uur Londense tijd, zoals gepubliceerd via Reuters. De hieruit voortvloeiende omrekeningsverschillen worden in de post beleggingsresultaat verantwoord. Baten en lasten in vreemde valuta's worden omgerekend in euro's tegen de koersen per transactiedatum. Ook de verschillen tussen de transactiekoers en de koers van afwikkeling worden in het beleggingsresultaat opgenomen.

1.4.1.5 Grondslagen voor de waardering van activa en passiva
1.4.1.5.1 Beleggingen


Algemeen


Beleggingen worden tegen actuele waarde gewaardeerd. Al naar gelang de beschikbaarheid van objectieve gegevens gelden voor de bepaling van de actuele waarde achtereenvolgens de onderstaande waarderingsmethodieken. Hierbij wordt volgens een getrapte benadering te werk gegaan. Pas als een hoger gelegen methodiek niet toepasbaar blijkt wordt op de eerstvolgende waarderingsmethodiek overgegaan.

De grondslagen gelden zowel voor beleggingen voor risico van het fonds als voor beleggingen voor risico van de deelnemer.

Mark-to-market

Onder normale marktomstandigheden wordt voor de waardering van de beleggingen gebruik gemaakt van prijzen, aangeleverd door onafhankelijke prijsleveranciers. Dit betreft niet alleen beursnoteringen, maar ook prijzen die op dagelijkse basis worden verstrekt door onafhankelijke prijsleveranciers.

Broker quotes

Zijn geen beursnoteringen of prijzen, aangeleverd door onafhankelijke prijsleveranciers, beschikbaar of worden deze gezien de marktomstandigheden als niet-realistisch beschouwd, dan wordt de actuele waardebepaling gebaseerd op ten minste drie door brokers opgestelde waarderingen.

Mark-to-model

Ontbreekt het aan beursnoteringen en aan prijzen, aangeleverd door onafhankelijke prijsleveranciers, of worden deze gezien de marktomstandigheden als niet-realistisch beschouwd en ontbreekt het ook aan broker quotes, dan wordt de actuele waarde benaderd op basis van door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen. Daarbij wordt rekening gehouden met risico's voor insolventie en illiquiditeit volgens een basis-, stress- en extreme stress-scenario. 

De door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen inclusief de gehanteerde veronderstellingen worden periodiek, doch minimaal eens per kalenderjaar, aantoonbaar, geëvalueerd door een externe specialist. 

De waarderingsmodellen zijn op algemeen aanvaarde principes gebaseerd. Daarbij wordt op basis van marktparameters, zoals kredietwaardigheidsopslagen, gewerkt met de best mogelijke inschattingen van verwachte toekomstige kasstromen, die vervolgens verdisconteerd worden tegen passende rentecurves.

Ter inschatting van de volatiliteiten en correlaties wordt gebruik gemaakt van gegevens afkomstig uit openbare bronnen. Voor de inschatting van het kredietrisico wordt gebruik gemaakt van reference bonds. Standaarden zoals de interbancaire rentes en genoteerde rentecurves van swap en future markets staan aan de basis van de gehanteerde rentecurves.

De door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen worden met name gebruikt voor interest rate swaps, onderhandse leningen en hypotheekportefeuilles. Voor de interest rate swaps worden op basis van interest-rates van prijsleveranciers zogenaamde discountcurves gecreëerd, die vervolgens gebruikt worden voor de verdiscontering van de toekomstige kasstromen. In het geval van ontvangen zekerheden zijn de risico’s geringer en wordt een lagere rentecurve gehanteerd. De kasstromen voor de vaste lange rente component volgen uit het contract en de kasstromen voor de variabele korte component zijn gebaseerd op van de markt afgeleide forward rates. Voor onderhandse leningen worden eveneens rentecurves van prijsleveranciers gebruikt. Daarbij wordt een variabele spread gehanteerd die afhankelijk is van de sector van de leningnemer. Tevens wordt rekening gehouden met een van de markt afgeleide inflatiecurve. Voor de hypotheekportefeuilles wordt de euro-swap gehanteerd plus een variabele spread op basis van consumententarieven.

Externe schattingen

Indien geen mark-to-market-, brokerquote- of mark-to-model-waardering voorhanden is, wordt de actuele waarde bepaald aan de hand van door externe partijen opgeleverde periodieke schattingen van de actuele waarderingen van de betreffende beleggingen. De categorie externe schattingen is onderverdeeld in beleggingen met en beleggingen zonder externe onafhankelijke toetsing.

Interne schattingen

Is geen betrouwbare informatie voorhanden die kan dienen als input voor de door de uitvoerder beheerde waarderingsmodellen, dan wordt de actuele waarde op basis van een eigen schatting bepaald. Zo mogelijk vindt een externe toets plaats, met name op de veronderstellingen.

De bovenstaande beschreven getrapte benadering van de waarderingsmethodieken wordt voor alle beleggingscategorieën toegepast.

Presentatie netto vlottend actief

Beleggingen worden gewaardeerd inclusief bijbehorende vorderingen, liquide middelen en schulden, indien deze niet voor andere doelen dan beleggingstransacties kunnen worden aangewend. Deze vorderingen en schulden worden na eerste verwerking tegen de geamortiseerde kostprijs gewaardeerd. Deze waarde komt gezien de korte looptijd nagenoeg overeen met de nominale waarde onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen voor het risico van oninbaarheid. 

Onderstaand wordt ingegaan op de meer specifieke invulling van de waardering per beleggingscategorie.

Vastgoedbeleggingen

Vastgoedbeleggingen worden tegen de actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen. Als deze niet beschikbaar zijn, vindt waardering tegen nettovermogenswaarde plaats. Kapitaalbelangen in vastgoedfondsen worden tegen net asset value gewaardeerd. 

Aandelen

Beleggingen in aandelen, converteerbare obligaties en private equity worden tegen de actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen. 

Vastrentende waarden

Obligaties en indexobligaties worden tegen actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen en aangepast met de daaraan toewijsbare lopende rente. 

Hypothecaire leningen worden tegen actuele waarde gewaardeerd op basis van een model met een variabele spread voor het vervroegde aflossings-, krediet- en illiquiditeitsrisico. Bij spaarhypotheken wordt het opgebouwde spaarkapitaal in mindering gebracht.

Beleggingen in onderhandse leningen worden tegen actuele waarde gewaardeerd op basis van een model, zo nodig aangepast aan de hand van marktinformatie, aangevuld met een variabele spread voor de risico's van illiquiditeit en tegenpartij en gecorrigeerd voor de daaraan toewijsbare lopende rente. De actuele waarde van onderhandse leningen wordt bepaald door middel van het berekenen van de contante waarde van de gecontracteerde kasstromen van deze leningen, op basis van de bij de restantlooptijd passende marktrentes. Bij leningen betrekking hebbend op financial lease onroerend goed wordt met variabele spreads voor het illiquiditeits- en kredietrisico gerekend.

Derivaten

Derivatenposities worden ongesaldeerd tegen actuele waarde gewaardeerd. Voor bepaalde instrumenten, zoals over-the-counter-derivaten, wordt gebruik gemaakt van waarderingsmodellen waarin wordt uitgegaan van bepaalde veronderstellingen, bijvoorbeeld ten aanzien van kredietrisico en rentecurves. 

Overige beleggingen

Overige beleggingen betreffen beleggingen die niet aan de andere beleggingscategorieën kunnen worden toegewezen. Dit zijn voornamelijk commodities en absolute return strategies. Deze beleggingen worden tegen actuele waarde gewaardeerd, waar mogelijk tegen marktnoteringen. 

1.4.1.5.2 Overige activa

Deelnemingen zijn duurzame kapitaalbelangen waarin ABP invloed van betekenis kan uitoefenen op het zakelijke en financiële beleid. Deze deelnemingen worden, evenals joint-ventures, tegen nettovermogenswaarde gewaardeerd. Overige kapitaalbelangen zijn bij de beleggingscategorie gepresenteerd waarop ze betrekking hebben.

Bedrijfsgebouwen en overige materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs verminderd met lineaire afschrijvingen, berekend op basis van de geschatte economische levensduur, of tegen lagere bedrijfswaarde.

Na eerste verwerking worden de vorderingen en overlopende activa tegen de geamortiseerde kostprijs gewaardeerd. Deze waarde komt gezien de korte looptijd nagenoeg overeen met de nominale waarde, voor zover van toepassing onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen voor het risico van oninbaarheid. Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd.

1.4.1.5.3 Eigen vermogen

Het eigen vermogen is naast een financieringsbron voor eventuele tegenvallers ook een bron voor mogelijke toekomstige indexaties. De wet schrijft voor dat pensioenfondsen minimaal een eigen vermogen van circa 5% van de voorziening pensioenverplichtingen aanhouden. Dit is te zien als een beklemde reserve. Zakt het eigen vermogen beneden dat niveau, dan moet aanvulling binnen de wettelijk voorgeschreven termijn plaatsvinden.

Bestemmingsreserves betreffen door het bestuur afgezonderde bestandsdelen van het eigen vermogen met een specifieke toekomstige bestemming. De bestemmingsreserves worden daarom niet meegeteld bij het bepalen van de dekkingsgraad. 

1.4.1.5.4 Voorziening pensioenverplichtingen

De voorziening pensioenverplichtingen (VPV) heeft een langlopend karakter. De voorziening voor risico van het pensioenfonds bestaat uit de aan middelloonregelingen respectievelijk eindloonregelingen en aan dienstjaren gerelateerde voorzieningen ouderdoms- en nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP). De voorziening ABP nettopensioen en voorziening ABP ExtraPensioen zijn gezien hun geringe omvang opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen (VPV), ook al betreffen dit voorzieningen voor risico deelnemers.

De voorzieningen pensioenverplichtingen worden bepaald als de contante waarde van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. Indexaties dan wel verlagingen van de pensioenaanspraken en - uitkeringen worden verwerkt zodra definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De voorziening pensioenverplichtingen (VPV) is bepaald op basis van de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB.

De actuariële grondslagen voor onder andere sterftekansen, overgangskansen, partnerfrequenties en promotie-indices worden in beginsel driejaarlijks geactualiseerd en tussentijds geëvalueerd. De actuariële grondslagen voor het overgangsrecht privatisering ABP (OPA) worden jaarlijks geactualiseerd. Voor de sterfteprognose die gehanteerd wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverlichtingen wordt gebruik gemaakt van de sterfteprognosetafels van het Actuarieel Genootschap (AG).

Voor de waardering van de voorziening pensioenverplichtingen van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) wordt uitgegaan van de volgende actuariële grondslagen en methoden:

        • de nominale rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB ten behoeve van de bepaling van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Overal waar sprake is van (actuele nominale) marktrente wordt bedoeld de (actuele nominale) rentetermijnstructuur; 
        • de meest recente AG prognose tafels; 
        • geslachts- en leeftijdsafhankelijke tabellen voor de overgangskansen, gebaseerd op de waarnemingen op het eigen deelnemersbestand: sterfte (van deelnemers en van nabestaanden), invalideren, ontslag wegens tussentijds vertrek en ontslag wegens wachtgeld. In de sterftetabellen wordt rekening gehouden met een verwachte toekomstige sterftetrend. Daarnaast worden gebruikt: partnerfrequenties bij overlijden en promotie-indices;
        • de veronderstelling bij de vaststelling van de leeftijd van deelnemers en hun nabestaanden dat zij op 1 juli geboren zijn; 
        • parameters voor onder meer de gemiddelde pensioenopbouw per dienstjaar en het gemiddelde leeftijdsverschil tussen partners op het tijdstip van overlijden; 
        • inachtneming van tot het einde van het verslagjaar genomen bestuursbesluiten met betrekking tot wijzigingen, zoals toekenning van indexatie, per 1 januari van het er op volgende kalenderjaar;
        • er wordt rekening gehouden met de voorzienbare toekomstige aanpassing van de AOW leeftijd;
        • pensioengevende salarissen en franchisebedragen per 1 januari van het er op volgende kalenderjaar als uitgangspunt voor de opgebouwde pensioenaanspraken die vallen onder de eindloonregeling;
        • een kostenopslag voor toekomstige administratiekosten (toekennings- en excassokosten).
        • aparte geslachts- en leeftijdsafhankelijke correctiefactoren ervaringssterfte, arbeidsongeschiktheidskansen en man/vrouw verhoudingen voor de nettopensioen- regeling, afgestemd op de populatie. 

 

Voorziening ouderdoms- en nabestaandenpensioen

Het ouderdomspensioen, het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór 65 jaar (diensttijd; vóór 1 juli 1999) en het nabestaandenpensioen bij overlijden na 67 jaar zijn op kapitaalbasis gefinancierd. Voor het nabestaandenpensioen wordt de 'onbepaalde partner'-methode gehanteerd, waarbij wordt verondersteld dat op het moment van overlijden van een mannelijke respectievelijk vrouwelijke deelnemer diens partner 3 jaar jonger respectievelijk 1 jaar ouder is. Het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór 65 jaar, voor de diensttijd vanaf 1 juli 1999, wordt op risicobasis gefinancierd. Het nabestaandenpensioen bij overlijden tussen 65 en 67 jaar, voor de diensttijd vanaf 1 januari 2015, vindt afhankelijk van de duur van de diensttijd tussen 1 juli 1999 en 1 januari 2015 deels plaats op kapitaalbasis en deels op risicobasis. Het nabestaandenpensioen in de situatie van een eindloonregeling is vanaf 65 jaar gefinancierd op kapitaalbasis. 

Voorziening arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP)

De AAOP-regeling is een aanvulling op de WAO en vanaf 2006 op de WIA. Deze regeling voorziet in een arbeidsongeschiktheidspensioen in aanvulling op de WIA. Beide regelingen zijn geheel op risicobasis gefinancierd: de voorziening heeft alleen betrekking op ingegane pensioenen, inclusief nog niet gemelde, ingegane arbeidsongeschiktheidspensioenen (IBNR).

Voorziening ABP nettopensioen

De voorziening ABP nettopensioen is gelijk aan de actuele waarde van de in beleggingen omgezette inleg, die deelnemers voor eigen rekening en risico hebben gedaan met het oogmerk te komen tot een aanvulling op hun pensioen. Aanwending van de voorziening geschiedt door omzetting in een ander pensioenproduct en is alleen toegestaan bij pensionering, einde deelneming of overlijden.

De waarde van de in beleggingen omgezette inleg in de regeling ABP nettopensioen is inclusief behaalde beleggingsrendementen begrepen in het totaal van de beleggingen. De qua omvang gelijke verplichting aan de deelnemers aan de ABP nettopensioen-regeling is - als tegenhanger daarvan - opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. 

Voorziening ABP ExtraPensioen 

De voorziening ABP ExtraPensioen (AEP) is gelijk aan de actuele waarde van de in beleggingen omgezette inleg, die deelnemers voor eigen rekening en risico hebben gedaan met het oogmerk te komen tot een aanvulling op hun pensioen. Aanwending van de voorziening geschiedt door omzetting in een ander pensioenproduct en is alleen toegestaan bij pensionering, einde deelneming of overlijden.

De waarde van de in beleggingen omgezette inleg in de AEP-regeling is inclusief behaalde beleggingsrendementen begrepen in het totaal van de beleggingen. De qua omvang gelijke verplichting aan de deelnemers aan de AEP-regeling is - als tegenhanger daarvan - opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. ABP geeft de garantie dat een deelnemer bij aanwending minimaal zijn of haar inleg terugkrijgt. Daarbij wordt rekening gehouden met de tot het berekeningsmoment behaalde beleggingsrendementen op de in beleggingen omgezette inleg.

1.4.1.5.5 Passiva beleggingen-gerelateerd

De terugbetalingsverplichting uit hoofde van kortgeld o/g wordt gewaardeerd tegen actuele waarde. Na eerste verwerking wordt deze post gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Indien geen sprake is van agio/disagio, komt deze waarde nagenoeg overeen met de nominale waarde.

De waardering van de post derivaten met een negatieve actuele waarde is overeenkomstig de waardering van derivaten met een positieve actuele waarde. De shortposities en ontvangen zekerheden worden gewaardeerd tegen actuele waarde.

1.4.1.5.6 Schulden en overige passiva

Schulden en overige passiva worden tegen actuele waarde gewaardeerd. Na de eerste verwerking worden de schulden en overige passiva tegen de geamortiseerde kostprijs gewaardeerd. Deze waarde komt gezien de korte looptijd nagenoeg overeen met de nominale waarde.

1.4.1.6 Grondslagen voor de resultaatbepaling
1.4.1.6.1 Algemeen

De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorzieningen pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks in het resultaat verantwoord.

1.4.1.6.2 Premiebijdragen (netto)

Premiebijdragen zijn aan de periode toegerekend waarop zij betrekking hebben. De bijdragen worden vastgesteld op basis van door de werkgever te verstrekken informatie. Op basis van extrapolatie vindt een schatting plaats voor zover de van werkgevers te ontvangen informatie niet is verkregen. De daarin begrepen dekking voor incassokosten wordt bij het actuariële resultaat op kosten verantwoord.

1.4.1.6.3 Beleggingsresultaten (netto)

Beleggingsresultaten en kosten vermogensbeheer zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben. Directe en indirecte resultaten en (gefactureerde of nog te factureren) kosten van beleggingen worden afzonderlijk gepresenteerd. Onder de directe resultaten worden opbrengsten uit rente, dividend en dergelijke gepresenteerd. Dividend wordt op het moment van betaalbaarstelling verantwoord. Waardeveranderingen zijn indirecte beleggingsresultaten, deze worden aan de periode toegerekend waarin zij optreden. Waardeveranderingen zijn zowel ongerealiseerde als gerealiseerde waardeveranderingen.

1.4.1.6.4 Pensioenuitkeringen

Pensioenuitkeringen zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

1.4.1.6.5 Mutatie voorziening pensioenverplichtingen


Pensioenopbouw

De pensioenopbouw wordt aan de periode toegerekend waarin de opbouw van pensioenrechten plaatsvindt. Uitzondering hierop is de zogeheten diensttijddoortelling van de pensioenopbouw in geval van arbeidsongeschiktheid en overlijden. De last voor deze toekomstige pensioenopbouw wordt ineens genomen in het jaar waarin de deelnemer arbeidsongeschikt wordt of overlijdt.

Indexering

De indexeringslast wordt in de staat van baten en lasten opgenomen als een bestuursbesluit op of voor balansdatum is genomen.

Rentetoevoeging

De rentetoevoeging vindt plaats op basis van de nominale rente met een looptijd van 1 jaar zoals opgenomen in de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur van interbancaire swaps ultimo vorig boekjaar. De rente wordt over de beginstand en de mutaties gedurende het jaar berekend.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en kosten pensioenbeheer

De vrijval uit de voorziening pensioenverplichtingen voor pensioenuitkeringen en kosten pensioenbeheer wordt ten gunste van de staat van baten en lasten gebracht in de periode waarin de pensioenuitkeringen en kosten bij de berekening van deze voorziening waren voorzien.

Ontwikkeling marktrente

Het effect van de overgang van de 1 jaar verschoven rentetermijnstructuur ultimo vorig verslagjaar naar de rentetermijnstructuur ultimo huidig verslagjaar op de voorziening pensioenverplichtingen is ultimo verslagperiode bepaald en in de staat van baten en lasten opgenomen. 

Wijziging actuariële grondslagen

Het effect van de aanpassing van de actuariële grondslagen op de voorziening pensioenverplichtingen wordt ultimo verslagperiode bepaald en in de staat van baten en lasten opgenomen.

Wijzigingen uit hoofde van overdracht van rechten

Wijzigingen uit hoofde van overdracht van rechten worden aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen

Overige mutaties in de voorziening pensioenverplichtingen worden aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

1.4.1.6.6 Saldo overdrachten van rechten

Bedragen uit hoofde van overdrachten/overnames van rechten zijn tegen de nominale waarde opgenomen en aan de periode toegerekend waarin ze zijn geëffectueerd.

1.4.1.6.7 Kosten pensioenbeheer (netto)

De netto kosten van pensioenbeheer zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

1.4.1.6.8 Rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd

De rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

1.4.1.6.9 Overige baten en lasten

Overige baten en lasten zijn aan de periode toegerekend waarop ze betrekking hebben.

1.4.1.7 Grondslagen voor het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Kasstromen worden aan de kasstroom genererende activiteiten toegerekend. Alleen de liquide middelen van ABP (en geconsolideerde entiteiten) worden voor het kasstroomoverzicht meegenomen in de begin- en eindstand van de geldmiddelen. Liquide middelen in FGR’s maken hier geen onderdeel van uit. 

Ontvangsten en uitgaven in vreemde valuta's uit hoofde van beleggingsactiviteiten worden omgerekend in euro's tegen de koersen per transactiedatum. De verschillen tussen de transactiekoers en de koers van afwikkeling worden in de post beleggingsresultaten (netto) opgenomen. Voor beleggingen in het buitenland gelden dezelfde voorschriften.

Alle ontvangsten en uitgaven uit hoofde van pensioenactiviteiten vinden plaats in euro's waardoor er bij deze activiteiten geen sprake is van valutakoersverschillen.

1.4.1.8 Uitvoering

ABP heeft de uitvoering van de pensioenregeling grotendeels uitbesteed aan APG Groep NV. Hiervoor heeft ABP een langlopende overeenkomst gesloten. De belangrijkste taken die het uitvoeringsbedrijf voor het fonds verricht zijn pensioenbeheer, vermogensbeheer, communicatie en bestuursondersteuning.

1.5 Risicoparagraaf

In het hoofdstuk Risicomanagement van het bestuursverslag zijn het risicobeleid en de opzet, het bestaan en de werking van de interne risicobeheersing- en controlesystemen beschreven. Deze risicoparagraaf heeft een kwantitatiever karakter en gaat in op de ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad, de rekenrente, de reële dekkingsgraad, het minimaal vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort in 2017. Daarna bespreken we de methodiek en de uitkomsten van de solvabiliteitstoets, waaronder het vereist eigen vermogen en het ingediende herstelplan. Tenslotte beschrijven we de samenstelling van de derivatenportefeuille, omdat deze een belangrijke rol speelt in het beheersen van de risico's.

1.5.1

1.5.1.1 Ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad en rekenrente in 2017

De financiële positie wordt gevolgd aan de hand van de ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad. Onderstaand zijn twee grafieken weergegeven. De eerste grafiek laat de ontwikkeling zien van de dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad over 2017, afgezet tegen minimaal vereist eigen vermogen en vereist eigen vermogen. De ontwikkeling van de rente in 2017 is in de tweede grafiek weergegeven.

Beleidsdekkingsgraad

De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de afgelopen 12 maandelijkse dekkingsgraden. Vanwege de middeling heeft hij een stabieler verloop dan de  dekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad speelt een belangrijke rol in het uitvoeren van het premie-, indexatie en herstelbeleid. De beleidsdekkingsgraad kwam eind 2017 uit op 101,5%.

Reële dekkingsgraad

Bij een reële dekkingsgraad van 100% is het vermogen van ABP voldoende om volledig en toekomstbestendig te kunnen indexeren. Om deze dekkingsgraad te bepalen, wordt de volledig toekomstbestendige indexatiegrens bepaald. Deze grens wordt vergeleken met de beleidsdekkingsgraad om de reële dekkingsgraad te bepalen. Gebaseerd op prijsinflatie als ambitieniveau was de reële dekkingsgraad eind 2017 82,8%. 

1.5.1.2 Tekort ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen

De positie ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen wordt bepaald op basis van een algemene reserve die wordt berekend ten opzichte van de beleidsdekkingsgraad. In het afgelopen jaar is de dekkingsgraad van 96,7% naar 104,4% gestegen. Deze toename van de dekkingsgraad werkt vertraagd door in de ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad. Dit komt doordat de beleidsdekkingsgraad gelijk is aan het gemiddelde van de afgelopen 12 maandelijkse dekkingsgraden. De volgende tabel geeft inzicht in de positie ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen.

Omvang tekort ten opzichte van minimaal vereist eigen vermogen in € mln 31-12-2017 31-12-2017
     
Berekende algemene reserve (ten opzichte van beleidsdekkingsgraad) 6.038 1,5%
Af: Minimaal vereist eigen vermogen 16.557 4,2%
Tekort t.o.v. berekende algemene reserve -10.519 -2,7%
 

Het minimaal vereiste eigen vermogen wordt vastgesteld volgens artikel 11 van het Besluit FTK en bedraagt per eind 2017 4,2% van de verplichtingen, zijnde € 16,6 miljard. Het eigen vermogen bedraagt ultimo 2017 € 17,9 miljard. Dit ligt boven het minimaal vereist eigen vermogen. Er is sprake van een tekortsituatie aangezien de algemene reserve wordt berekend ten opzichte van de beleidsdekkingsgraad en € 6,0 miljard bedraagt. Hierdoor ontstaat er een tekort ten opzichte van het minimaal vereist eigen vermogen.

1.5.1.3 Herstelplan

Eind 2016 was sprake van een tekortsituatie. Daarom heeft ABP vóór 1 april 2017 een herstelplan ingediend. Het herstelplan toonde aan dat de beleidsdekkingsgraad onder de gehanteerde aannames tijdig kon toegroeien naar het niveau van het vereist eigen vermogen. In 2017 waren geen aanvullende maatregelen nodig.

1.5.1.4 Solvabiliteitstoets

Pensioenfondsen vallen onder het Financieel Toetsingskader (FTK, onderdeel van de Pensioenwet) en staan onder toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB). Het FTK voorziet in een solvabiliteitstoets waarmee wordt vastgesteld welke dekkingsgraad een fonds moet hebben, wil een combinatie van binnen het FTK vastgelegde schokken leiden tot een dekkingsgraad van 100%. Bij deze dekkingsgraad wordt voldaan aan de norm van het vereist eigen vermogen. Op grond van het FTK is de omvang van de voorgedefineerde schokken zodanig vastgesteld dat deze met een frequentie van eens in de veertig jaar, ofwel met een kans van 2,5% per jaar, optreden. De norm van het vereist eigen vermogen is redelijk constant over de tijd en bewoog gedurende het jaar rondom de 28%. De fluctuatie wordt voor een groot gedeelte veroorzaakt door veranderingen in de marktrente.

De door DNB vastgestelde risicofactoren zijn:

  • S1 renterisico
  • S2 zakelijke-waardenrisico
  • S3 valutarisico
  • S4 grondstoffenrisico
  • S5 kredietrisico
  • S6 verzekeringstechnisch risico
  • S7 liquiditeitsrisico
  • S8 concentratierisico
  • S9 operationeel risico
  • S10 actief risico.

Om het vereist eigen vermogen te berekenen worden eerst de voorgedefinieerde schokken die samenhangen met de risicofactoren S1 tot en met S6 en S10 bepaald. Vervolgens worden deze met behulp van de zogenaamde wortelformule samengevoegd tot een totaalschok op de dekkingsgraad. De wortelformule houdt rekening met het feit dat de schokken niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd zullen optreden, zodat de totaalschok kleiner is dan de som van de afzonderlijke schokken (het diversificatie-effect). De norm van het vereist eigen vermogen is zodanig gedefinieerd dat toepassing van de gecombineerde schok leidt tot een dekkingsgraad van 100%. De uitkomst is afhankelijk van de marktomstandigheden (rentestanden, credit spreads) en van de portefeuillegewichten, en fluctueert dus in de tijd. Bijsturing van de portefeuille in combinatie met risicorestricties zorgen er echter voor dat de dekkingsgraad in de buurt van die van de strategische portefeuille blijft. In het standaardmodel worden het liquiditeitsrisico (S7), het concentratierisico (S8) en het operationeel risico (S9) gelijk gesteld aan nul. Op grond van het gevoerde beleid is geoordeeld dat er voor deze risico's geen extra vereist eigen vermogen nodig is.

1.5.1.5 Tekort ten opzichte van vereist eigen vermogen

Uit de solvabiliteitstoets blijkt dat per eind 2017 sprake is van een tekort ten opzichte van de wettelijke eis: het aanwezige eigen vermogen ligt onder het niveau van het vereist eigen vermogen. Onderstaande tabel geeft de uitkomsten van de standaardtoets op de strategische portefeuille weer, gemeten per eind 2017. Voor de bepaling van de schokken is uitgegaan van de situatie waarin de dekkingsgraad voldoet aan de norm van het vereist eigen vermogen.

Omvang tekort ten opzichte van vereist eigen vermogen in € mln en als percentage van de voorzieningen 31-12-2017 31-12-2017 31-12-2016 31-12-2016
         
Risico        
         
S1 renterisico 19.028 4,9% 17.496 4,4%
S2 zakelijkewaardenrisico 86.434 22,1% 86.874 22,0%
S3 valutarisico 26.614 6,8% 26.830 6,8%
S4 grondstoffenrisico 7.031 1,8% 7.067 1,8%
S5 kredietrisico 17.271 4,4% 16.229 4,1%
S6 verzekeringstechnisch risico 12.259 3,1% 12.523 3,2%
S10 actief risico 10.947 2,8% 12.289 3,1%
         
Subtotaal van alle risico's 179.584 45,8% 179.308 45,4%
Af: diversificatie-effect -68.992 -17,6% -69.548 -17,6%
Vereist eigen vermogen 110.592 28,2% 109.760 27,8%
         
Af: berekende algemene reserve (ten opzichte van beleidsdekkingsgraad) 6.038 1,5% -32.722 -8,3%
Tekort t.o.v. berekende algemene reserve -104.554 -26,7% -142.482 -36,1%
 

Uitgedrukt als percentage van de technische voorzieningen, is het vereist eigen vermogen toegenomen van 27,8% per eind 2016 naar 28,2% eind 2017. De vereiste dekkingsgraad is gestegen. Er zijn twee factoren die hierin een belangrijk aandeel hebben gehad. Ten eerste de stijging van de rente. Het effect hiervan is dat het renterisico S1 is toegenomen. Ten tweede de lichte verslechtering van de gemiddelde rating van de benchmark, waardoor ook het kredietrisico S5 is toegenomen.

Het vereist eigen vermogen ultimo 2017 is conform de voorschriften van het FTK op basis van het strategische beleggingsbeleid. De belangrijkste component van het vereist eigen vermogen blijft het zakelijkewaardenrisico, gevolgd door het valutarisico en het renterisico. 

1.5.1.6 (S1) Renterisico

Het renterisico is een afgeleide van de rentegevoeligheid van activa en passiva en een belangrijk element voor het mismatchrisico. Onder mismatchrisico wordt verstaan het verschil tussen de rentegevoeligheid van de beleggingen en de verplichtingen. Als de rente stijgt of daalt, heeft dit een effect op de beleggingen en de verplichtingen en dus op de dekkingsgraad.

Het renterisico S1 is over de jaren steeds kleiner geworden doordat de renteschok een vaste fractie is van de rentecurve, zodat een lagere rentestand leidt tot een lagere renteschok. Als gevolg van de stijging van de rente in 2017 stijgt het renterisico in 2017 ook voor het eerst weer ten opzichte van vorig boekjaar. Ook in de praktijk zal het renterisico bij lage rentestanden begrensd zijn, aangezien rentes niet al te ver beneden 0% kunnen zakken.

In de S-toets wordt de rentecurve waartegen de verplichtingen worden verdisconteerd met een looptijdafhankelijk percentage omhoog en omlaag geschokt. Als uitgangspunt voor de berekening van het renterisico dient de meest nadelige impact op het eigen vermogen te worden gehanteerd. Veelal gaat het dan om een rentedaling. Om inzicht te bieden in de omvang van de schok, wordt hierna een aantal voorbeelden van de mee te nemen (looptijdafhankelijke) schokken benoemd. Bijvoorbeeld de vijfjaarsrente wordt met 33% omlaag geschokt, de tienjaarsrente met 25% en zeer lange rentes met 24%. Vervolgens wordt dezelfde schok in %-punten toegepast op de marktrentecurves waar de swaps en de vastrentende waarden mee worden gewaardeerd. 

Ongeveer de helft van de rentegevoeligheid van de beleggingen is afkomstig van de vastrentende waarden, de andere helft is afkomstig van de rentederivaten. De rentegevoeligheid wordt in de term 'duratie' uitgedrukt. De duratie is ongeveer gelijk aan de gemiddelde gewogen looptijd van alle kasstromen (coupons en aflossing van de hoofdsom) van de vastrentende waarden en rentederivaten. De duratie heeft de volgende interpretatie: als de marktrente met 1-%punt daalt, zal de stijging van de waarde van de portefeuille uitgedrukt in procenten gelijk zijn aan de duratie van de portefeuille.

Duratie 2017     Jaren Marktwaarde (in € mln) effect +1% (in € mln) effect -1% (in € mln) 2016 in jaren
               
Duratie beleggingen (exclusief renteswaps)     2,8 391.735 -10.297 12.176 2,7
Duratie beleggingen (inclusief renteswaps)     4,9 408.658 -17.671 21.318 5,2
Duratie verplichtingen     17,4 391.652 -60.114 78.578 17,8
 

De duratie voor de beleggingen wordt bepaald op basis van de Eonia marktcurve. Omdat de wettelijk voorgeschreven UFR rentecurve bepalend is voor de waarde van de verplichtingen wordt ook de duratie voor de verplichtingen bepaald op basis van deze rentecurve.

De duratie voor de totale beleggingen exclusief renteswaps bedraagt 2,8 jaar. Hierbij wordt het rente-effect op andere assets dan vastrentende waarden buiten beschouwing gelaten. Duratieverlenging  van de beleggingen, via renteswaps, brengt de rentegevoeligheid meer in lijn met de rentegevoeligheid van de verplichtingen, waardoor een wijziging in de rente minder invloed heeft op de dekkingsgraad. De duratie voor de totale beleggingsportefeuille inclusief renteswaps bedroeg eind 2017 4,9 jaar.

De duratie van de verplichtingen op basis van de UFR-rentecurve bedraagt 17,4 jaar. Om de vergelijking met de duratie van de beleggingen te kunnen maken is de duratie van de verplichtingen ook bepaald op basis van de eoniarente eind 2017. De duratie op basis van de Eonia rentecurve bedraagt 18,1 jaar. Het renteafdekkingspercentage op basis van de duratie volgens de Eonaie rentecurve bedraagt circa 27% (zijnde 4,9/18,1). 

De volgende grafiek toont in donkerblauw de kasstromen van de nominale pensioenverplichtingen, in lichtblauw die van de swapportefeuille. De set van zeven grijze kasstromen representeert de portefeuille vastrentende waarden. De individuele kasstromen van deze portefeuille zijn samengevoegd in zeven looptijdsegmenten (buckets) om tot een vereenvoudigde weergave te komen. De samengevoegde kasstromen geven dezelfde waardeverandering voor S1 als het totaal van de individuele kasstromen. Uit de figuur is verder op te maken in hoeverre ABP zijn renterisico heeft afgedekt en in hoeverre die afdekking gelijkmatig over de looptijden is verdeeld.

1.5.1.7 (S2) Zakelijkewaardenrisico

Om de koersrisico's van beleggingen in zakelijke waarden goed te beheersen, past ABP op zijn beleggingen zoveel mogelijk diversificatie naar regio, categorie en sector toe. Informatie hierover is opgenomen in de toelichting op de enkelvoudige balans . De zakelijke waarden (in de context van deze paragraaf gedefinieerd als de beleggingscategorieën die onder S2 vallen) maken 57% uit van het beschikbaar vermogen. Dit betekent dat een koersdaling bij de zakelijke waarden met 10% grofweg leidt tot een daling van de dekkingsgraad met bijna 6%-punten. In de S-toets wordt uitgegaan van een schok van 30% voor aandelen ontwikkelde markten, 40% voor aandelen opkomende markten en 25% voor niet-beursgenoteerde vastgoed. Niet beursgenoteerde aandelen (private equity, hedge funds en infrastructuur) worden geschokt met 40%. De risico's van niet beursgenoteerde aandelenbeleggingen zijn hiermee inbegrepen in het zakelijkewaardenrisico (S2). Eventueel daarmee verbonden niet-afgedekte valutarisico's worden meegenomen in de rubriek valutarisico (S3).

1.5.1.8 (S3) Valutarisico

ABP loopt valutarisico doordat het in het kader van risicospreiding ook belegt in beleggingen in vreemde valuta's, terwijl de pensioenen in euro's worden uitbetaald. Het valutarisico wordt beperkt gehouden doordat grootste vreemde valuta posities in 2017 gedeeltelijk zijn afgedekt. In de S-toets wordt de na afdekking resterende blootstelling aan vreemde valuta's in ontwikkelde markten ten opzichte van de euro met 20% geschokt. De na afdekking resterende blootstelling aan vreemde valuta's in opkomende markten wordt ten opzichte van de euro met 35% geschokt.

De actuele waarde van de valutarisicoderivaten wordt weergegeven in de laatste tabel van de paragraaf derivaten. De volgende tabel geeft de verdeling van de beleggingen vóór en na valuta-afdekking weer.

Verdeling beschikbaar vermogen naar valuta, eind 2017 (€ mln) Voor valuta-afdekking Valuta-afdekking Na valuta-afdekking
       
Valuta      
       
Euro 124.803 159.083 283.886
Amerikaanse dollar 174.803 -128.320 46.483
Britse pond 22.028 -14.327 7.701
Australische dollar 6.795 -3.022 3.773
Zwitserse frank 4.392 -2.478 1.914
Hong Kong dollar 4.584 - 4.584
Canadese dollar 4.931 -2.517 2.414
Yen 11.389 -6.106 5.283
Overige 53.197 -397 52.800
Totaal 2017 406.922 1.916 408.838
Totaal 2016 386.794 -4.978 381.816
 

Eind 2017 bedraagt de strategische afdekking van het valutarisico van de zakelijke waarden op de US Dollar 64% en op de Zwitserse Frank, de Japanse Yen, de Canadese en Australische Dollar en het Britse Pond 50%. Het valutarisico van de vastrentende waarden wordt daarentegen volledig afgedekt. Een valuta-afdekking zet een belegging in vreemde valuta de facto om in een belegging in euro’s.

1.5.1.9 (S4) Grondstoffenrisico

De actuele waarde van de grondstoffen (commodities) bedraagt € 18,1 miljard (2016: € 15,3 miljard) en is grotendeels opgebouwd met behulp van commodityderivaten. Er is een miniem actief risico doordat een deel met actieve mandaten wordt ingevuld. In de S-toets wordt de marktwaarde van de grondstoffen met 35% gereduceerd.

1.5.1.10 (S5) Kredietrisico

In de beleggingsportefeuille wordt kredietrisico gelopen. Kredietrisico wordt omschreven als het risico dat een tegenpartij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, of dat zich een verslechtering van zijn financiële situatie voordoet. De rating van de portefeuille dient als belangrijke indicator voor de kwaliteit van de portefeuille. Het kredietrisico is voor een deel afgedekt met credit default swaps. Ten behoeve van de S-toets wordt de portefeuille vastrentende waarden in vijf ratingklassen opgedeeld: AAA, AA, A, BBB, en BB of lager. De ratingklasse AAA wordt vervolgens nog opgedeeld in Europees AAA-staatspapier en overig AAA. In het FTK stress-scenario wordt een schok op de credit spread toegepast. De grootte van deze schok varieert van 0 bp voor Europees AAA staatspapier en 60 bp voor overig AAA tot 530 bp voor papier met rating BB of lager.

Kredietwaardigheid van beleggingen wordt veelal door middel van creditratings geclassificeerd. Een hoge creditrating betekent dat de debiteur zeer kredietwaardig is en de lening met een hoge mate van zekerheid zal worden terugbetaald. Creditratings lopen uiteen van de hoogste rating AAA (zeer kredietwaardig) tot de laagste rating D. De spreiding van de beleggingen in vastrentende waarden is van dien aard dat 71% (2016: 71%) een rating heeft van A of hoger.

Ratingverdeling totale portefeuille vastrentende waarden, in % AAA AA A BBB <= BB Totaal
             
2017 35% 28% 8% 20% 9% 100%
2016 36% 26% 9% 22% 7% 100%
 

In onderstaande grafiek wordt een aanvullende specificatie van de rating naar soort debiteur gegeven:

1.5.1.11 (S6) Verzekeringstechnische risico's

Ouderdoms- en nabestaandenpensioenen worden levenslang uitgekeerd. Conform wet- en regelgeving dient bij het vaststellen van de VPV rekening gehouden te worden met een voorzienbare trend in de toekomstige sterftekansen. Daarvoor wordt de AG-prognosetafel gebruikt, die wordt gecorrigeerd met fondsspecifieke correctiefactoren zoals vastgesteld in het Grondslagenonderzoek 2011-2013, om zo tot een ABP-specifieke sterftetafel te komen. Naast sterftekansen omvatten de fondsspecifieke grondslagen onder andere overgangskansen, partnerfrequenties en inschattingen omtrent arbeidsongeschiktheid. Als de sterftekansen zich conform deze AG-prognoses ontwikkelen, dan is de levensverwachting eind 2017 voor een 66-jarige man 87,1 jaar en voor een 66-jarige vrouw 89,1 jaar. De schok in de VPV, geassocieerd met de verzekeringstechnische risico’s, is 3,1%.

1.5.1.12 (S7) Liquiditeitsrisico's

Het liquiditeitsrisico is het risico dat het fonds over onvoldoende liquide middelen zou beschikken om de lopende betalingen, waaronder pensioenuitkeringen, en het storten van onderpand in verband met derivatenposities, te kunnen doen. Onder normale omstandigheden is voor ABP het risico op een liquiditeitstekort gering, onder andere doordat voor een groot deel in liquide vermogenstitels is belegd. In 2017 heeft zich geen liquiditeitstekort voorgedaan.

Het beleggen in illiquide beleggingscategorieën brengt met zich mee dat het fonds bij het periodiek herbalanceren van de beleggingsportefeuille minder flexibel is. Als een fonds gedwongen zou worden om illiquide beleggingen op korte termijn te verkopen, zou dit veelal slechts tegen een ongunstige prijs kunnen geschieden. Om een dergelijke situatie te voorkomen, wordt in het herbalanceringsbeleid rekening gehouden met het gebrek aan flexibiliteit van de illiquide beleggingscategorieën.

De volgende grafiek toont voor het jaar 2017 de maandelijkse kasstromen van de rente-hedge, de valuta-afdekking, de premies en de pensioenuitkeringen. Liquiditeitsproblemen kunnen ontstaan als de negatieve kasstromen te groot worden. We zien dat over 2017 de afdekking voortkomend uit valutaposities de meeste liquiditeit heeft gevraagd.

1.5.1.13 (S8) Concentratierisico

Concentratierisico doet zich voor wanneer een groot deel van het belegd vermogen bij dezelfde partij of categorie is geconcentreerd. De risico's zijn in dit geval groter dan wanneer sprake is van een evenwichtige spreiding. In het standaardmodel is het concentratierisico gelijk gesteld aan nul. Ook op grond van het gevoerde beleid is geoordeeld dat er geen sprake is van een verhoogd risico waarvoor een aanvullende opslag noodzakelijk is.

1.5.1.14 (S9) Operationeel risico

Operationeel risico is het risico dat door een onjuiste werking van de eigen organisatie fouten niet tijdig opgemerkt worden. De Pensioenwet staat toe dat het operationeel risico op nul wordt gesteld mits er geen sprake is van een verhoogd risico. Aan deze voorwaarde is in 2017 voldaan. Deze uitspraak is gebaseerd op de rapportages van het uitvoeringsbedrijf aan de hand waarvan het bestuur de uitvoering in al haar aspecten monitort.

1.5.1.15 (S10) Actief risico

Op basis van asset liability management (ALM) wordt de optimale beleggingsportefeuille bepaald. Vervolgens wordt elk van de beleggingscategorieën met passende titels ingevuld. Daarbij is het toegestaan binnen vooraf vastgestelde maximale tracking errors van de benchmark af te wijken, hetgeen tot actief risico leidt. Voor illiquide beleggingscategorieën als hedge funds, private equity, infrastructuur en direct vastgoed kan actief risico niet zinvol worden gedefinieerd. Voor de liquide categorieën aandelen en beursgenoteerd vastgoed wordt het actief risico binnen het standaardmodel via S10 in rekening gebracht. De impact hiervan op de vereiste dekkingsgraad is +0,03%-punt.

1.5.1.16 Risicorestricties

Om indexatie mogelijk te maken moet beleggingsrisico worden genomen. Het gaat hier om bewust aanvaarde risico’s die aansluiten bij de risicohouding van het fonds, met als doel op de lange termijn de indexatieambitie waar te kunnen maken. Voor het beperken van beleggingsrisico's wordt gebruik gemaakt van risicorestricties in de mandaten en worden de gelopen risico’s voortdurend in de gaten gehouden. Zowel voor de hele portefeuille als voor bepaalde onderdelen gelden risicolimieten. Denk hierbij aan een maximale toegestane hoeveelheid actief risico of een maximale allocatie naar een bepaalde tegenpartij. Naast deze limieten en het aanbrengen van spreiding in de beleggingen kunnen risico's worden beperkt door afgeleide financiële instrumenten, zogenaamde derivaten, in te zetten.

1.5.1.17 Derivaten

ABP gebruikt derivaten om risico's te verkleinen of om snel tactische wijzigingen aan te brengen in de beleggingsmix. Derivaten zijn financiële instrumenten waarvan de waarde mede afhankelijk is van één of meer onderliggende financiële instrumenten. Derivaten kunnen zowel op de beurs als rechtstreeks met financiële partijen worden verhandeld. In het laatste geval spreekt men van 'over-the-counter'(OTC)-derivaten. ABP gebruikt beide. Voor derivatenposities moet veelal onderpand bij een tegenpartij worden aangehouden. Dit dient als een soort buffer voor de fluctuaties in waarde en koers van een derivatenpositie. Het onderpand is een hoeveelheid contant geld (of geschikte effecten) die, als de waarde van derivaten fluctueert, garant staat voor de nakoming van eventuele verplichtingen. Bijstorting of terugstorting van onderpand, afhankelijk van de verandering in de positie, vindt in beginsel op dagbasis plaats. Het grootste deel van het derivatengebruik vloeit voort uit afdekking van het valuta- en renterisico. Een deel van de beleggingen is in vreemde valuta's genoteerd (het grootste deel hiervan in ÙS dollars). Om de risico's van koerswijzigingen te verkleinen en de kasstromen in euro's zeker te stellen, is een deel van het valutarisico afgedekt. Ook worden derivaten gebruikt om de rentegevoeligheid van de beleggingen meer in overeenstemming te brengen met de rentegevoeligheid van de toekomstige verplichtingen. Dit wordt gedaan door middel van het verlengen van de duratie (gewogen gemiddelde looptijd van alle kasstromen) van de vastrentende waarden.

Een beperkt deel van de derivatenportefeuille wordt ingezet om op een effectieve manier posities in bepaalde beleggingen te creëren, of om kenmerken van een bepaalde beleggingsportefeuille te wijzigen.

In de volgende tabel wordt eerst de actuele waarde van de derivaten (swaps, futures, opties en valutatermijncontracten) en shortposities toegerekend aan de beleggingscategorieën en vervolgens het effect van de derivaten betrekking hebbend op asset(bij)sturing vanuit overlay. Ultimo 2017 was het effect van de derivaten betrekking hebbend op asset(bij)sturing vanuit overlay € 11,0 miljard (2016: € 5,0 miljard). Zoals uit de tabel blijkt is met behulp van derivaten en shortposities het belang in aandelen, vastrentende waarden verlaagd en in overige beleggingen verhoogd. 

Overzicht balans voor en na toerekening actuele waarde derivaten, in € mln Balans tegen actuele waarde Toerekening actuele waarde derivaten Balans na toerekening actuele waarde derivaten Effect asset sturing in overlay Balans na effect asset sturing vanuit overlay Balans na effect asset sturing vanuit overlay
             
          31-12-2017 31-12-2016
             
Vastgoed 51.055 - 51.055 - 51.055 48.663
Aandelen 170.150 -58 170.092 -4.410 165.682 149.139
Vastrentende waarden 156.978 16.199 173.177 -6.608 166.569 166.723
Derivaten: positieve posities 27.626 -27.626 - - - -
Overige beleggingen 46.966 2.610 49.576 11.018 60.594 40.081
Overige activa 1.824 - 1.824 - 1.824 1.852
             
Totaal activa 454.599 -8.875 445.724 - 445.724 406.458
             
Eigen vermogen 17.895 - 17.895 - 17.895 -12.702
Pensioenverplichtingen 391.652 - 391.652 - 391.652 395.039
Passiva beleggingen-gerelateerd 44.117 -8.875 35.242 - 35.242 23.361
- waarvan derivaten en shortposities 8.952 -8.875 77 - 77 91
Overige passiva 935 - 935 - 935 760
             
Totaal passiva 454.599 -8.875 445.724 - 445.724 406.458
 

In de volgende tabel is een specificatie gegeven van de verschillende soorten derivaten. De onderliggende waarden voor de futures en tba’s (to be announced) zijn gebaseerd op de netto-exposure (saldo van de long en short exposure). De onderliggende waarden van de overige derivaten zijn op de onderliggende notionals van het betreffende derivaat gebaseerd waarbij alle posities in absolute waarde zijn opgeteld (sommering van de long en short exposure). De twee grootste posten zijn de derivaten die worden ingezet voor het mitigeren van het valutarisico (forwards) en het renterisico (interest rate swaps).

Specificatie derivaten naar soort, in € mln Onderliggende waarde vordering Vordering Onderliggende waarde schuld Schuld
         
Valuta derivaten        
Forwards 203.698 2.352 61.066 -483
Cross Currency Swap 289 24 - -
         
Interest derivaten        
Interest Rate Swap 81.332 23.217 48.162 -6.101
Inflation Linked Swap 6.497 830 9.932 -1.910
Futures vastrentende waarden 4.181 53 7.512 -23
TBA's 3.451 6 919 -2
         
Overige derivaten        
Credit Default Swaps 686 27 1.403 -162
Overige futures 6.667 1.117 13.257 -194
Totaal derivaten eind 2017   27.626   -8.875
Totaal derivaten eind 2016   29.476   -15.324
 

1.5.1.18 Shortposities

Shortposities zijn posities waarbij een verplichting is aangegaan om in de toekomst stukken te leveren zonder de stukken te bezitten op het moment van aangaan van de verplichting, waarbij het tegenpartijrisico wordt gemitigeerd met behulp van onderpand. De samenstelling van de shortposities is te zien in onderstaande tabel.

Specificatie shortposities naar soort, in € mln Schuld
   
Shortposities aandelen -
Shortposities obligaties -
Shortposities overige beleggingen 77
Totaal shortposities beleggingen eind 2017 77
Totaal shortposities beleggingen eind 2016 619
 

1.6 Toelichting op de enkelvoudige balans

(bedragen in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld)

1.6.1 Algemeen

Het beschikbaar vermogen kan uit de enkelvoudige balans worden afgeleid door de post totaal activa te verminderen met de posten passiva beleggingen-gerelateerd, overige passiva en de bestemmingsreserves. De dekkingsgraad wordt bepaald door het beschikbaar vermogen te delen door de voorziening pensioenverplichtingen. De beleidsdekkingsgraad vormt de basis voor het toezicht. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de laatste 12 maanddekkingsgraden. De berekening van de dekkingsgraad ultimo boekjaar is weergegeven in onderstaande tabel:

  31-12-2017 31-12-2016
     
Totaal activa 454.599 422.310
Passiva beleggingen-gerelateerd -44.117 -39.213
Schulden en overige passiva -935 -760
Bestemmingsreserves -709 -521
     
Beschikbaar vermogen 408.838 381.816
Voorziening pensioenverplichtingen 391.652 395.039
     
Dekkingsgraad 104,4 96,7
Beleidsdekkingsgraad 101,5 91,7
     
 

1.6.2 ACTIVA

1.6.2.1 Beleggingen (1)

Het verloop van de beleggingen is als volgt:

  Vastgoedbeleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten Overige beleggingen Totaal 2017 Totaal 2016
               
Beginstand beleggingen 48.663 150.449 153.104 29.476 38.766 420.458 383.865
Verstrekkingen/aankopen 3.711 12.132 44.668 - 3.931 64.442 36.972
Aflossingen/verkopen -2.773 -9.145 -34.818 - -979 -47.715 -31.408
Waardeontwikkeling* 1.640 17.440 -4.130 - -2.852 12.098 27.723
Overige mutaties -186 -726 -1.846 -1.850 8.100 3.492 3.306
Eindstand beleggingen 51.055 170.150 156.978 27.626 46.966 452.775 420.458
Waarvan:              
- beursgenoteerd           300.825 277.166
- niet-beursgenoteerd           151.950 143.292
               
 
* inclusief waardeontwikkeling tot het moment van verkoop


Definitie
Beleggingen betreffen vastgoedbeleggingen, aandelen, vastrentende waarden, derivaten en overige beleggingen, inclusief bijbehorende vorderingen, liquide middelen en schulden. Deze kunnen rechtstreeks worden aangehouden dan wel via participaties in door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening (FGR’s).

In de post overige mutaties zijn begrepen de mutaties in bij de beleggingen horende vorderingen, liquide middelen, schulden en de mutaties in de derivatenposities.

In de eindstand van de beleggingen ad € 452,8 miljard (2016: € 420,5 miljard) zijn begrepen:

  31-12-2017 31-12-2016
     
Vorderingen en overlopende activa 207 1.627
Kortgeldposities u/g (inclusief kortgeldposities in FGR) 28.574 17.074
Banktegoeden in rekening courant 828 144
Schulden en overlopende passiva (inclusief debetstanden banksaldi) -470 -485
In beleggingen begrepen netto vlottend actief 29.139 18.360
 

In de post banktegoeden in rekening courant zijn bedragen begrepen die op dagbasis in geldmarktfondsen worden weggezet. Van de banktegoeden staat een bedrag van € 103,0 miljoen (2016:€ 1,8 miljoen) niet ter vrije beschikking. Dit betreft saldi op margin accounts die in verband met futureposities moeten worden aangehouden.

De in de beleggingen opgenomen schulden betreffen met name banksaldi met een debetsaldo van € 0,3 miljard (2016: € 0,2 miljard).

In de post beleggingen zijn tevens opgenomen:

  • beleggingen ad € 0,3 miljard (2016: € 0,3 miljard) ten behoeve van deelnemers aan de regelingen ABP nettopensioen en ABP ExtraPensioen. 
  • beleggingen ad € 0,5 miljard (2016: € 0,3 miljard) uit hoofde van de voorfinanciering van de VPL-regeling. Deze beleggingen worden beheerd door ABP en zijn voor rekening en risico van derden. De mutatie gedurende het boekjaar bestaat uit de ontvangen premie van € 255 miljoen (2016: € 266 miljoen) en het negatief rendement van - € 2,2 miljoen (2016: - € 0,1 miljoen).

Er is geen sprake van het uitlenen van beleggingen door ABP.

Waardering
Om tot een betekenisvolle presentatie van de waarden van de participaties in fondsen voor gemene rekening (FGR’s) te komen zijn deze waar mogelijk en voor zover dit leidt tot een verscherping van het beeld, gerubriceerd naar de achterliggende beleggingscategorieën. De in de waarde van deze participaties begrepen positieve en negatieve derivaten- en kortgeldposities o/g worden, in lijn met de Richtlijn Pensioenfondsen (RJ 610), separaat in de balans verantwoord. Bij de specificatie van beleggingen wordt uitgegaan van de onderliggende titels, ook indien deze zijn ondergebracht in door het uitvoeringsbedrijf beheerde FGR's.

De specificatie van de actuele waarde per beleggingscategorie naar achterliggende waarderingsmethodiek kan als volgt worden weergegeven (in %):

  Vastgoed beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten positief Passiva beleggingen gerelateerd Overige beleggingen 31-12-2017 31-12-2016
Mark-to-market 45 88 96 16 86 54 77 75
Broker quotes - - - - - - - -
Mark-to-model - - 3 84 14 - 6 7
Externe schattingen 55 12 1 - - 46 17 18
Totaal 100 100 100 100 100 100 100 100
 
 

De rubricering in de vorige tabel is gebaseerd op de methodieken die worden genoemd bij de grondslagen voor de waardering van de beleggingen. Het feit dat er 84% van de derivaten is gecategoriseerd als mark-to-model vloeit voort uit het feit dat er geen beursnoteringen voorhanden zijn. Dit is bij ‘over the counter'-derivaten bijvoorbeeld het geval, ook al kunnen deze op objectieve wijze worden gewaardeerd. Van de externe schattingen is 71% gebaseerd op een onafhankelijke waardering.

Bij het toerekenen van de beleggingen naar de bijbehorende methodiek zijn de volgende veronderstellingen toegepast:

  • het bij een beleggingscategorie behorende netto vlottend actief, waaronder deposito’s, repo’s, vorderingen, schulden, liquide middelen en beleggingen in geldmarktfondsen is als ‘mark-to-market’ opgenomen:
  • private equity-beleggingen alsmede de beleggingen in hedgefondsen zijn aan de categorie ‘externe schattingen’ toegerekend. Dit geldt ook voor beleggingen in beleggingsfondsen waarbij voor de waardering de opgave van een externe manager wordt gebruikt. Swaps worden als ‘mark-to-market’ opgenomen wanneer een prijs wordt geleverd door een onafhankelijke prijsleverancier. Wanneer geen dagelijkse prijs wordt geleverd en de waardering plaatsvindt op basis van een model vindt toewijzing naar ‘mark-to-model’ plaats:
  • forwards inzake valuta's zijn als 'mark-to-model' opgenomen. Mortgage backed securities en asset backed securities worden als 'broker quotes' of 'externe schattingen' opgenomen indien geen prijs wordt geleverd door een onafhankelijke prijsleverancier. Als de waardering plaatsvindt op basis van minder dan drie broker quotes, wordt de belegging toegewezen aan de methodiek externe schattingen. De hypotheekportefeuilles zijn opgenomen als 'mark-to-model'.

De waardering van de beleggingsportefeuille is derhalve voor het grootste gedeelte op data van onafhankelijke leveranciers gebaseerd. Slechts een klein gedeelte van de portefeuille wordt volgens eigen modellen gewaardeerd.

In de internationale regelgeving (IFRS) is het gebruikelijk de reële waarde hiërarchie van de beleggingen toe te wijzen op grond van de volgende drie niveau’s: 

• level 1, directe marktnoteringen. Dit betreft beleggingen met een notering in een actieve markt voor identieke activa of passiva:
• level 2, afgeleide marktnoteringen. Dit betreft beleggingen, niet zijnde level 1-beleggingen, waarvoor bij de waardering gebruik is gemaakt van in de markt waarneembare data:
• level 3, waarderingsmodellen en technieken. Dit betreft beleggingen gewaardeerd met behulp van een waarderingsmethode waarbij een significant deel van de gebruikte input-data niet in de markt waarneembaar zijn.

Onderstaand is de voorgaande waarderingsmatrix gecombineerd met de reële waarde hiërarchie (in %), zoals die internationaal wordt toegepast.

  Directe marktnoteringen Afgeleide marktnoteringen Waarderingsmodellen en -technieken Totaal
         
Mark-to-market 99 1 - 100
Broker quotes - - - -
Mark-to-model - 100 - 100
Externe schattingen - 9 91 100
Totaal 2017 76 8 16 100
Totaal 2016 75 8 17 100
         
 

Bij het toerekenen van de beleggingen naar de levels zijn de volgende veronderstellingen c.q. uitgangspunten gehanteerd:

  • bij het toewijzen aan een level wordt niet het fonds voor gemene rekening toegewezen maar de beleggingen in het fonds voor gemene rekening. Indien de belegging wederom een beleggingsfonds is wordt het beleggingsfonds aan een level toegewezen:
  • niet alleen de beleggingen worden toegewezen maar ook de vorderingen, schulden en liquide middelen:
  • aan level 1 worden de volgende beursgenoteerde beleggingen toegewezen: aandelen, obligaties, opties, futures, geldmarktfondsen en liquide middelen:
  • aan level 2 worden de volgende beleggingen toegewezen: beleggingen die worden geprijsd op basis van Markit of soortgelijke prijsleveranciers, beleggingen die worden geprijsd op basis van ten minste drie broker quotes en beleggingen die worden gewaardeerd met een door de beheerder beheerd model waarbij gebruik wordt gemaakt van in de markt waarneembare data. Tevens worden toegewezen aan categorie 2: deposito’s, repo’s, vorderingen en schulden, valutaforwards, look-a- likes van beursgenoteerde opties, futures en dergelijke. Ten slotte wordt een beleggingsfonds als level 2 aangemerkt indien de participaties in dat fonds ten minste één keer per kwartaal aan het fonds terug kunnen worden verkocht tegen de gerapporteerde koers:
  • aan level 3 worden de niet aan level 1 of 2 toegewezen beleggingen toegekend. Het betreft met name closed end funds in illiquide beleggingen waarvan de participaties niet voor het einde van de looptijd terug kunnen worden verkocht aan het fonds.

Specificaties
In de volgende tabellen is een specificatie opgenomen van de beleggingen naar categorie, regio en valuta (alle in € mln). In de valutatabel is de post derivaten niet opgenomen. Deze is in een aparte tabel samen met derivaten negatief en shortposities gepresenteerd.

Beleggingen naar categorie Vastgoed- beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten positief Overige beleggingen 31-12-2017 31-12-2016
               
Basismaterialen 53 9.990 1.119 132 1.026 12.320 11.479
Hypotheken c.a. - - 16.480 - - 16.480 14.622
Vastgoed 35.807 3.937 1.076 - 196 41.016 42.058
Nutsbedrijven 1.320 4.526 3.349 - - 9.195 8.757
Telecommunicatie 1.200 6.830 2.983 - - 11.013 9.920
Gezondheidszorg 258 16.409 1.558 - - 18.225 16.505
Luxe goederen 984 17.199 2.471 - - 20.654 18.436
Energie 3.090 9.572 1.875 893 1.284 16.714 15.484
Industriële bedrijven 6.503 18.627 2.348 - - 27.478 20.147
Financiële instellingen 1.431 35.734 20.189 26.499 43.171 127.024 117.931
Dagelijkse goederen - 16.155 1.083 49 818 18.105 17.327
Informatietechnologie - 31.156 1.195 - - 32.351 25.797
Overheid 409 15 101.252 53 471 102.200 101.995
Totaal beleggingen 51.055 170.150 156.978 27.626 46.966 452.775 420.458
 

Beleggingen naar regio Vastgoed- beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten positief Overige beleggingen 31-12-2017 31-12-2016
               
Nederland 3.931 3.154 12.357 26.331 22.049 67.822 63.620
EMU overig 11.247 15.202 68.675 86 2.702 97.912 91.162
Overig Europa 9.060 21.877 19.236 496 67 50.736 43.902
Noord-Amerika 16.063 79.289 46.525 700 20.110 162.687 157.965
Azië/Pacific 10.330 44.500 5.083 6 1.572 61.491 52.546
Overig 424 6.128 5.102 7 466 12.127 11.263
Totaal beleggingen 51.055 170.150 156.978 27.626 46.966 452.775 420.458
 

Beleggingen naar valuta, excl. derivaten Vastgoed- beleggingen Aandelen Vastrentende waarden Overige beleggingen 31-12-2017 31-12-2016
             
Euro 16.331 20.050 86.917 9.606 132.904 120.296
Amerikaanse dollar 17.218 77.703 49.843 35.354 180.118 173.406
Britse pond 5.788 8.560 11.033 451 25.832 22.633
Australische dollar 2.978 2.593 914 712 7.197 6.113
Zwitserse frank 164 4.452 72 59 4.747 3.767
Hong Kong dollar 2.322 2.186 - 47 4.555 4.413
Canadese dollar 260 3.478 1.143 392 5.273 4.769
Yen 659 10.352 400 104 11.515 10.051
Overige 5.335 40.776 6.656 241 53.008 45.534
Totaal 51.055 170.150 156.978 46.966 425.149 390.982
 

Derivaten en shortposities naar valuta Derivaten positief Derivaten negatief Shortposities 31-12-2017 31-12-2016
           
Euro 219.660 -49.175 -77 170.408 168.256
Amerikaanse dollar -163.749 45.260 - -118.489 -125.700
Britse pond -17.957 -72 - -18.029 -16.353
Australische dollar -2.256 -1.141 - -3.397 -2.803
Zwitserse frank -1.706 -1.054 - -2.760 -2.557
Hong Kong dollar -1 61 - 60 22
Canadese dollar -191 -2.648 - -2.839 -2.327
Yen -6.905 683 - -6.222 -4.894
Overige 731 -789 - -58 -111
Totaal 27.626 -8.875 -77 18.674 13.533
 

De valuta-verdeling van de derivaten positief en negatief wordt mede beïnvloed door valuta-afdekposities. De verantwoording van deze posities betreft een momentopname. Een valutatermijncontract is een overeenkomst om op een toekomstig tijdstip vreemde valuta tegen een afgesproken koers en hoeveelheid aan te kopen of te verkopen. Koop leidt tot een toename van de valutapositie, verkoop tot een afname. In bovengenoemde tabel zijn beide posities weergegeven, de uiteindelijke standen zijn mede afhankelijk van de koersontwikkeling sinds het afsluiten van het contract.

Toelichtingen per categorie

De vastgoedbeleggingen omvatten beleggingen in:

Vastgoedbeleggingen 31-12-2017 31-12-2016
     
Woningen 8.669 7.626
Kantoren 5.137 5.720
Winkels 15.051 15.570
Industrieel 5.619 5.402
Hotels 1.646 1.668
Infrastructuur 10.738 8.943
Overig 4.195 3.734
Totaal vastgoedbeleggingen 51.055 48.663
 

De vastgoedbeleggingen betreffen voor € 5,8 miljard op eigen naam verrichte beleggingen (2016: € 7,0 miljard) en voor € 45,3 miljard beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening (2016: € 41,6 miljard). 

In de post overig zijn onder andere opgenomen de overige activa en passiva inzake vastgoedbeleggingen ad € 0,6 miljard (2016: € 0,4 miljard).

De beleggingen in aandelen omvatten beleggingen in:

Aandelen 31-12-2017 31-12-2016
     
Ontwikkelde markten 112.219 97.798
Opkomende markten 38.123 32.698
Private equity 19.508 19.263
Overig 300 690
Totaal beleggingen in aandelen 170.150 150.449
 

De beleggingen in aandelen betreffen voor € 4,8 miljard (2016: € 6,8 miljard) op eigen naam verrichte beleggingen en voor € 165,3 miljard (2016: € 143,7 miljard) beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

Private equity betreft met name aandelen in niet-beursgenoteerde ondernemingen, onder meer in de venture-capital-sector. De beleggingen in private equity betreffen voor € 15,9 miljard indirect investments (2016: € 16,1 miljard) en voor € 3,6 miljard direct investments (2016: € 3,2 miljard).

De shortpositie van de op eigen naam verrichte beleggingen is ultimo 2017 nihil (2016: € 0,5 miljard). Het saldo ultimo 2016 is verantwoord onder de balanspost passiva beleggingen-gerelateerd.

De beleggingen in vastrentende waarden betreffen:

Vastrentende waarden 31-12-2017 31-12-2016
     
Obligaties 90.222 89.442
High yield credits 14.010 10.890
Indexobligaties 32.239 33.618
Onderhandse leningen 486 714
Hypothecaire leningen 16.864 15.967
Overige activa en passiva 3.157 2.473
Totaal beleggingen in vastrentende waarden 156.978 153.104
 

De beleggingen in vastrentende waarden betreffen voor € 30,5 miljard (2016: € 4,1 miljard) op eigen naam verrichte beleggingen en voor € 126,5 miljard (2016: € 149,0 miljard) beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

De shortpositie van de op eigen naam verrichte beleggingen is ultimo 2017 nihil (2016: € 0,1 miljard). Het saldo ultimo 2016 is verantwoord onder de balanspost passiva beleggingen-gerelateerd.

De opbouw van de post beleggingen in vastrentende waarden naar couponrente is als volgt:

Vastrentende waarden naar couponrente 31-12-2017 31-12-2016
     
< 2% 54.682 53.742
2%-3% 27.070 24.504
3%-4% 24.332 22.875
4%-5% 25.505 25.429
> 5% 25.389 26.554
Totaal beleggingen in vastrentende waarden 156.978 153.104
 

Op basis van de contractuele aflossingsdata is de resterende looptijd van de beleggingen in vastrentende waarden als volgt:

Vastrentende waarden naar looptijd 31-12-2017 31-12-2016
     
Korter dan één jaar 6.942 8.894
Vanaf één jaar tot vijf jaar 33.665 38.385
Langer dan vijf jaar 116.371 105.825
Totaal beleggingen in vastrentende waarden 156.978 153.104
 

De kredietwaardigheid van beleggingen in vastrentende waarden wordt veelal uitgedrukt in een credit rating. De rating van de beleggingen in vastrentende waarden is als volgt:

Rating vastrentende waarden AAA AA A BBB <= BB Totaal
             
2017 35% 28% 8% 20% 9% 100%
2016 36% 26% 9% 22% 7% 100%
 

Uit voorgaand overzicht blijkt dat 71% (2016: 71%) van de beleggingen in vastrentende waarden een rating heeft van A of hoger.

Voor het bieden van inzicht in de kasstromen van de vastrentende waarden wordt veelal de duratie gebruikt. De duratie is een gemiddelde, gewogen looptijd van alle cash-flows (rente en aflossingen) van de renteproducten. De duratie van de vastrentende waarden bedraagt circa 7 jaar (2016: circa 7 jaar).

De samenstelling van de derivaten met een positieve actuele waarde is als volgt: 

Derivaten 31-12-2017 31-12-2016
     
Valuta derivaten    
Valutatermijncontracten 2.352 508
Cross currency swaps 24 10
     
Interest derivaten    
Renteswaps 23.217 27.320
Inflation linked swaps 830 882
Futures vastrentende waarden 53 42
TBA's (to be announced) 6 8
     
Overige derivaten    
Credit default swaps 27 6
Opties - 1
Overige futures 1.117 699
Totaal derivaten met een positieve actuele waarde 27.626 29.476
 

Negatieve derivatenposities worden overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving op de passiefzijde gepresenteerd.

De actuele waarde van derivaten is onder meer sterk afhankelijk van de stand van de (valuta)koersen en de rentes ultimo jaar ten opzichte van de (valuta)koersen en rentes op het moment van afsluiten van de derivatenposities. 

Overige beleggingen 31-12-2017 31-12-2016
     
  46.966 38.766
     
 

De overige beleggingen betreffen voor € 13,4 miljard (2016: € 6,0 miljard) op eigen naam verrichte beleggingen en voor € 33,6 miljard (2016: € 32,8 miljard) beleggingen via door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

Overige beleggingen betreffen met name beleggingen in hedgefondsstrategieën ad € 19,3 miljard (2016: € 19,4 miljard). Verder zijn onder deze post opgenomen beleggingen in commodities ad € 2,4 miljard (2016: € 4,2 miljard) en muziekrechten van nihil (2016: € 0,4 miljard). De waarde van de in overige beleggingen begrepen overige activa en passiva inzake beleggingen bedraagt € 25,3 miljard (2016: € 14,8 miljard).

De shortpositie van de op eigen naam verrichte beleggingen is ultimo 2017 € 0,1 miljard (2016: € 0,1 miljard) en is verantwoord onder de balanspost passiva beleggingen-gerelateerd.

1.6.2.2 Overige activa (2)

  31-12-2017 31-12-2016
     
Deelnemingen 803 706
Materiële vaste activa 77 82
Vorderingen en overlopende activa 931 1.064
Liquide middelen 13 -
Totaal overige activa 1.824 1.852
 

In de post liquide middelen zijn banksaldi in rekening courant begrepen. Van de liquide middelen staat het volledige bedrag ter vrije beschikking. Er zijn geen verdere zekerheden gesteld.

De post deelnemingen betreft het rechtstreeks belang in APG Groep NV. Het verloop van de post deelnemingen is als volgt:

Deelnemingen Totaal 2017 Totaal 2016
Beginstand deelnemingen 706 619
Waardeontwikkeling 178 128
Uitgekeerd dividend -81 -41
Eindstand deelnemingen 803 706
 

De materiële vaste activa bestaan uit:

Materiële vaste activa 31-12-2017 31-12-2016
     
Bedrijfsgebouwen en installaties 77 81
Overig - 1
Totaal materiële vaste activa 77 82
 

De post bedrijfsgebouwen bestaat uit zowel bedrijfsgebouwen met een geschatte economische levensduur van 30 jaar, en installaties met een economische levensduur van 15 jaar. De post overige betreft inventarissen en inrichtingen met een geschatte economische levensduur van 10 jaar.

De vorderingen en overlopende activa bestaan uit:

Vorderingen en overlopende activa 31-12-2017 31-12-2016
     
Vorderingen op werkgevers 727 754
Vorderingen inzake waarde-overnames 156 166
Vorderingen op deelnemers 5 5
Overige vorderingen 43 139
Totaal vorderingen en overlopende activa 931 1.064
 
Onder de vorderingen zijn geen vorderingen opgenomen met een resterende looptijd langer dan één jaar (2016: € 4,8 miljoen).   

1.6.3 PASSIVA

1.6.3.1 Eigen vermogen (3)

  Bestemmings- reserve: verzekerings technisch nadeel (VTN) Bestemmings- reserve: toekomstige aanpassing pensioen reglement Bestemmings- reserve: inkoop voorwaardelijk pensioen Algemene reserve Totaal
Stand 1-1-2016 55 3 327 -9.966 -9.581
Toevoeging uit resultaat 5 - 140 - 145
Onttrekking -9 - - -3.257 -3.266
Stand 31-12-2016 51 3 467 -13.223 -12.702
           
Stand 1-1-2017 51 3 467 -13.223 -12.702
Toevoeging uit resultaat 1 - 242 30.409 30.652
Onttrekking -52 -3 - - -55
Stand 31-12-2017 - - 709 17.186 17.895
 

Het eigen vermogen bestaat uit de bestemmingsreserves en de algemene reserve. De algemene reserve is naast financieringsbron voor eventuele tegenvallers ook bron voor toekomstige indexaties.

Pensioenfondsen moeten op grond van het FTK een vereist eigen vermogen aanhouden, gebaseerd op de door het fonds gelopen risico’s. Per eind 2017 bedraagt het vereist eigen vermogen € 110,6 miljard dat wil zeggen 28,2% van de voorziening pensioenverplichtingen. Daarnaast schrijft de wet voor dat een pensioenfonds een eigen vermogen aanhoudt dat groter is dan het minimaal vereist eigen vermogen. Voor ABP geldt als norm een minimaal vereist eigen vermogen ter grootte van 4,2 % (2016: 4,2%) van de voorziening pensioenverplichtingen. Ultimo boekjaar bedraagt het minimaal vereist eigen vermogen € 16,6 miljard.  Een uitgebreide toelichting van de positie van ABP ten opzichte van het vereist eigen vermogen en het minimaal vereist eigen vermogen is opgenomen in de risicoparagraaf.

Op 3 april 2018 is een herstelplan ingediend waarin is aangetoond dat binnen de voorgeschreven termijn het niveau van het vereist eigen vermogen wordt bereikt. Als gevolg zijn er voor 2018 geen aanvullende maatregelen nodig.

Ultimo boekjaar zijn de volgende bestemmingsreserves gevormd:

  • de bestemmingsreserve verzekeringstechnisch nadeel (VTN) voor ABP is ultimo 2017 nihil (2016: € 51 miljoen) en bevatte een compensatie voor de overgang van deelnemers van ABP naar het personeelspensioenfonds PPF-APG. Door deze overgang nam de gemiddelde leeftijd van het deelnemersbestand van ABP toe, en daarmee ook de premie. De bestemmingsreserve VTN had als doel deze verhoogde premielast te compenseren. Ultimo 2017 is de volledige bestemmingsreserve ad € 52 miljoen aangewend om de premie voor de middelloonregeling in 2018 met 0,1%-punt te verlagen:
  • de bestemmingsreserve toekomstige aanpassingen pensioenreglement is ultimo 2017 nihil (2016: € 3 miljoen) en bevatte de vrijval uit de voorziening ultimo 2013 als gevolg van de verlaging van het opbouwpercentage en het ophogen van de pensioenrekenleeftijd per 1 januari 2014. Deze bestemmingsreserve is in 2017 volledig aangewend om de premie voor de eindloonregeling in 2018 met 0,3%-punt te verlagen.
  • de bestemmingsreserve inkoop voorwaardelijk pensioen bedraagt € 709 miljoen (2016: € 467 miljoen). Aanwending van de bestemmingsreserve inkoop voorwaardelijk pensioen is afhankelijk van het pensioneringsgedrag van de deelnemers in deze regeling. In 2017 is € 242 miljoen toegevoegd. 

Deze bestemmingsreserves tellen niet mee bij het bepalen van de dekkingsgraad.

RESULTAATBESTEMMING

Het jaarverslag is, mede op basis van een positief advies van goedkeuring door de Raad van Toezicht op 26 april 2018, vastgesteld door het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Voorgesteld wordt om van het resultaat € 0,2 miljard toe te voegen aan de bestemmingsreserves en het restant ad € 30,4 miljard toe te voegen aan de algemene reserve.

1.6.3.2 Voorziening pensioenverplichtingen (4)

Pensioenregelingen: OP/NP AOP Risico Deelnemers Totaal 2017 Totaal 2016
           
Beginstand VPV: 393.278 1.462 299 395.039 361.363
           
Bij-mutaties VPV          
- pensioenopbouw 12.694 119 - 12.813 10.525
- wijziging u.h.v. overdracht van rechten 2 - - 2 8
- overige mutaties 562 -7 - 555 -169
    -      
Totaal bij-mutaties VPV 13.258 112 - 13.370 10.364
           
Af-mutaties VPV:          
- ontwikkeling marktrente: -4.869 -5 - -4.874 31.958
- onttrekking voor pensioenuitkeringen -10.612 -153 - -10.765 -10.334
- onttrekking voor kosten -74 -5 - -79 -76
- rentetoevoeging -856 -3 - -859 -217
- resultaat op actuariële grondslagen -38 -34 -25 -97 35
- wijziging actuariële grondslagen -60 -23 - -83 1.946
           
Totaal af-mutaties VPV -16.509 -223 -25 -16.757 23.312
Eindstand VPV 390.027 1.351 274 391.652 395.039
- waarvan voor risico van het pensioenfonds       391.378 394.740
- waarvan voor risico deelnemers       274 299
           
 

De VPV is berekend op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur waarbij gebruik wordt gemaakt van de ultimate forward rate (UFR-) methode. Van de rentecurve is de vervangingsrente afgeleid van 1,48% (2016: 1,32%).

De VPV is inclusief de effecten van het overgangsrecht privatisering ABP (OPA). Deze bepalingen maken deel uit van de in het kader van de privatisering voor alle (toekomstige) pensioenrechten uitgevoerde neutrale omrekeningsoperatie bij de overgang van ABP-wet naar ABP-pensioenregeling. De jaarlijkse actualisering van de actuariële grondslagen ten behoeve van de voorziening overgangsrecht privatisering ABP (OPA) op basis van eigen waarnemingen 2016 naar 2017 heeft geleid tot een daling van de VPV van € 0,3 miljard.

De voorziening voor risico deelnemers bestaat uit ABP ExtraPensioen ad € 0,3 miljard (2016: € 0,3 miljard) en ABP nettopensioen ad € 5 miljoen (2016: € 3 miljoen). De omvang van de verplichtingen aan de deelnemers van deze regelingen zijn gelijk aan de waarde van de voor hun rekening en risico uitgevoerde beleggingen.

De eindstand van de voorziening pensioenverplichtingen betreft de volgende categorieën.

Voorziening pensioenverplichtingen OP/NP AOP Risico deelnemers 31-12-2017 31-12-2016
           
Deelnemers 190.051 - 274 190.325 195.276
Gewezen deelnemers 29.859 - - 29.859 29.533
Pensioengerechtigden 170.117 1.351 - 171.468 170.230
Totaal voorziening pensioenverplichtingen 390.027 1.351 274 391.652 395.039
 

Het aandeel van de eindloonregeling van de beroepsmilitairen in de totale voorziening pensioenverplichtingen OP/NP ad € 390,0 miljard bedraagt € 9,9 miljard (2016: € 9,5 miljard). 

De in de voorziening begrepen opslag ter dekking van de kosten van toekomstige toekenningen en uitkeringen bedraagt € 2,6 miljard (2016: € 2,6 miljard). De incassokosten worden gedekt uit opslagen die in de premies zijn verdisconteerd.

Gezien de financiële positie per 1 november 2017 heeft het bestuur de indexatie voor 2018 vastgesteld op 0%. Dit geldt zowel voor ingegane en premievrije pensioenen als voor in opbouw zijnde pensioenen van deelnemers. De prijsontwikkeling over de periode 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017 bedroeg 1,38% (peildatum 31 oktober 2017). 

De voor pensioengerechtigden ingekochte VPL is verantwoord binnen de categorie OP/NP. De in te kopen aanspraken op ouderdomspensioen zijn pas opgebouwd op het moment dat deze zijn gefinancierd. Bij gedeeltelijke ingang van het ouderdomspensioen vindt inkoop naar rato plaats.

Onder arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) zijn de arbeidsongeschiktheidspensioenen vermeld die zijn gebaseerd op de WAO en op de WIA. Het betreft invaliditeitspensioenen (IP), herplaatsingstoelagen (HPT) en ABP arbeidsongeschiktheidspensioenen (AAOP).

Voor een toelichting op de mutaties in de voorziening pensioenverplichtingen wordt verwezen naar de toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten.

1.6.3.3 Passiva beleggingen-gerelateerd (5)

  31-12-2017 31-12-2016
     
Ontvangen zekerheden 17.104 14.491
Shortposities 77 619
Kortgeld o/g 18.061 8.779
Derivaten 8.875 15.324
Totaal passiva beleggingen-gerelateerd 44.117 39.213
 

Ontvangen zekerheden betreffen borgstellingen voor aangegane transacties inzake derivaten, met name voor met het treasury center afgesloten OTC-contracten.

De shortposities zijn als volgt te specificeren:

Shortposities 31-12-2017 31-12-2016
     
Aandelen - 458
Vastrentende waarden 77 71
Overige beleggingen - 90
Totaal shortposities 77 619
 

In het kortgeld o/g ad € 18,1 miljard (2016: € 8,8 miljard) is voor € 0,8 miljard (2016: € 0,8 miljard) aan repo´s begrepen. Deze hebben betrekking op obligaties en indexobligaties. Voor het aangaan van repo’s wordt een vergoeding bedongen. Voor het risico van niet-teruglevering worden tijdelijk contanten verkregen, die onder strikte richtlijnen worden belegd om additioneel rendement te genereren.

De negatieve derivatenposities zijn als volgt te specificeren:

Derivaten met een negatieve actuele waarde 31-12-2017 31-12-2016
     
Valuta derivaten    
Valutatermijncontracten 483 5.433
Cross currency swaps - 7
     
Interest derivaten    
Renteswaps 6.101 7.371
Inflation linked swaps 1.910 2.050
Futures vastrentende waarden 23 30
TBA's 2 8
     
Overige derivaten    
Credit default swaps 162 136
Overige futures 194 289
Totaal derivaten met een negatieve actuele waarde 8.875 15.324
 

Negatieve derivatenposities worden overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving op de passiefzijde gepresenteerd. De actuele waarde van de post derivaten is onder meer afhankelijk van de stand van de (valuta)koersen en de rentes ultimo jaar ten opzichte van de (valuta)koersen en rentes op het moment van afsluiten van de derivatenposities. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de derivaten met een positieve waarde.

1.6.3.4 Schulden en overige passiva (6)

  31-12-2017 31-12-2016
     
Schulden inzake pensioenen 311 279
Schuld voorwaardelijke inkoop 519 266
Overige schulden 105 124
Schulden aan banken - 91
Totaal schulden en overige passiva 935 760
 

Onder de schulden en overige passiva zijn voor € 39 miljoen (2016: € 0 miljoen) posten verantwoord met een resterende looptijd langer dan één jaar. Van de schulden inzake pensioenen heeft een bedrag van € 306 miljoen (2016: € 275 miljoen) betrekking op schulden inzake belastingen en sociale lasten.

Onder de overige schulden is een bedrag van € 23 miljoen (2016: € 31 miljoen) opgenomen, dat betrekking heeft op een verplichting aan Defensie. Deze verplichting vloeit voort uit de uitvoering door ABP van de kapitaal gedekte pensioenregeling voor militairen. Het bedrag dat wordt opgebouwd uit de pensioenpremies is nog niet toereikend om te voldoen aan de militaire pensioenverplichting. Daarom bestaat er een vordering (premietekort) van ABP op Defensie. Om dit premietekort te financieren verstrekt Defensie langlopende leningen aan het ABP. Deze tussen Defensie en ABP overeengekomen financieringsconstructie bestaat dus enerzijds uit een vordering op Defensie uit hoofde van een premietekort  voor een bedrag van € € 129 miljoen (2016: € 101 miljoen) en anderzijds uit een verplichting aan Defensie in de vorm van langlopende leningen voor een bedrag van € 151 miljoen (2016: € 142 miljoen). De leningen hebben voor een bedrag van € 21 miljoen een resterende looptijd korter dan 1 jaar, voor een bedrag van € 44 miljoen een resterende looptijd tussen 1 en 5 jaar en voor een bedrag van € 86 miljoen een resterende looptijd langer dan 5 jaar. Het  rentepercentage over de leningen ligt tussen de 0,04% en 4,79%. De vergoeding die ABP aan Defensie in rekening mag brengen over de openstaande vordering uit hoofde van premietekort is contractueel gelijk aan de rentelasten over de verplichting uit hoofde van verstrekte leningen.

De schuld voorwaardelijke inkoop ad € 519 miljoen (2016: € 266 miljoen) betreft de schuld aan de sociale partners uit hoofde van de ontvangen voorfinanciering en het rendement op de hieraan gerelateerde beleggingen. De mutatie gedurende het boekjaar bestaat uit:

Verloop Schuld Voorwaardelijke Inkoop

  31-12-2017 31-12-2016
     
Stand per 1 januari 266 0
Ontvangen premie 255 266
Rendement -2 0
Stand per 31 december 519 266
 

 

1.6.4 NIET IN DE BALANS OPGENOMEN VERPLICHTINGEN EN ACTIVA

1.6.4.1 Verplichtingen uit hoofde van beleggingen

De niet in de balans opgenomen verplichtingen en niet in de balans opgenomen activa betreffen vanuit de beleggingen aangegane commitments inzake kapitaalbelangen in beleggingsdochters en door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening.

Voor beleggingen in vastgoed zijn per balansdatum verplichtingen aangegaan voor € 5,2 miljard (2016: € 4,4 miljard).

Bij aandelen zijn voor beleggingen in private equity verplichtingen aangegaan om desgevraagd stortingen te verrichten. Per balansdatum bedragen deze € 14,1 miljard (2016: € 16,7 miljard). 

Voor vastrentende waarden zijn per balansdatum geen verplichtingen aangegaan (2016: € 3,4 miljard). 

Bij ABN-AMRO is een kredietovereenkomst aangegaan van in totaal € 0,8 miljard (2016: € 0,8 miljard). Verder is bij ABN-AMRO een intraday-faciliteit van € 0,5 miljard (2016: € 0,5 miljard) en bij ING een intraday-faciliteit van € 0,4 miljard (2016: € 0,4 miljard) aangegaan. Ultimo 2017 is op deze faciliteiten geen beroep gedaan. Voor deze overeenkomsten/faciliteiten zijn geen zekerheden afgegeven.

Er zijn voor € 0,1 miljard (2016: € 0,1 miljard) effecten verstrekt als initial margin. Verder zijn effecten ontvangen € 0,6 miljard (2016: € 0,4 miljard) en verstrekt ter grootte van € 0,8 miljard in verband met repo's. 

Voor overige beleggingen zijn per balansdatum verplichtingen aangegaan voor een bedrag van € 2,5 miljard (2016: € 1,5 miljard).

Teneinde aan de kredietwaardigheid vereisten van Multi-Client Partijen en marktpartijen te kunnen voldoen, is voor de betalingsverplichtingen van het treasury center jegens derden partijen een garantieovereenkomst gesloten waarbij de Stichting Depositary APG Fixed Income Credits Pool en de Stichting Depositary APG Developed Markets Equity Pool (hierna de garantieverstrekkers) garant staan in het geval het treasury center haar verplichtingen jegens deze partijen niet nakomt. De garantie houdt in dat de garantieverstrekkers beide garant staan ten opzichte van de derde partij om alle betalingsverplichtingen van het treasury center uit hoofde van de overeenkomst (ISDA/GMRA) tussen deze derde partij en het treasury center, na verrekening van eventueel aan het treasury center (op dat moment, in de toekomst of in geval van onvoorziene omstandigheden) verschuldigde bedragen en door treasury center verstrekt onderpand. Deze garantieovereenkomst geldt alleen voor transacties die zijn afgesloten voor 1 januari 2018.

1.6.4.2 Overige verplichtingen

Met het uitvoeringsbedrijf APG Groep NV is een meerjarig contract afgesloten voor de dienstverlening bestaande uit bestuursondersteuning, pensioenbeheer en -communicatie en vermogensbeheer in het kader van de uitvoering van de pensioenregelingen. APG Groep NV heeft de werkzaamheden vervolgens uitbesteed aan de dochtermaatschappijen APG Rechtenbeheer NV en APG Asset Management NV.

Voor de omzetbelasting is een fiscale eenheid gevormd. De fiscale eenheid bestaat uit ABP, APG Groep NV en de (klein)dochters van APG Groep NV. Binnen een dergelijke fiscale eenheid zijn de vennootschappen over en weer hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars belastingschulden.

1.7 Toelichting op de enkelvoudige staat van baten en lasten

(bedragen in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld)

1.7.1 BATEN

1.7.1.1 Premiebijdragen netto (7)

Premies naar categorie OP/NP AAOP Totaal 2017 Totaal 2016
         
Werkgeversdeel 6.628 95 6.723 5.776
Werknemersdeel 2.410 40 2.450 2.091
Totaal premiebijdragen (bruto) 9.038 135 9.173 7.867
Af: kostenopslag in de premie -94 -15 -109 -102
Premiebijdragen (netto) 8.944 120 9.064 7.765
Premie (in %) 21,5 0,4    
         
 

De premiebijdragen van aangesloten werkgevers en werknemers zijn in voorgaande tabel naar categorie gespecificeerd. Tevens zijn de premiepercentages vermeld. Het betreft de zogeheten gedempte kostendekkende premie plus eventuele op- of afslagen, bijvoorbeeld vanwege een herstelplan of premiekortingen.

Het bedrag van de bruto premies is in 2017 circa 17% hoger dan in 2016. Dit is met name te verklaren door de stijging van de premie voor het reguliere OP/NP. Het premiepercentage voor OP/NP is met 2,4 %-punt gestegen ten opzichte van 2016. Dit is het gevolg van de herziene uitgangspunten voor het premiebeleid. Het verwacht reëel rendement dat ten grondslag ligt aan de premie is in 2016 verlaagd van circa 3,6% naar 2,8%. 

De kostenopslag uit de pensioenpremies dient ter dekking van de incassokosten. De incasso-opslag OP/NP bedraagt 0,25% van de premiegrondslag OP/NP (2016: 0,25%).

Ultimo 2017 bedraagt het aantal aangesloten (sub)werkgevers 3.691 (2016: 3.716). Zij dragen de volledige premie af, inclusief het werknemersdeel. Het totaal van de premiebijdragen van het pensioenfonds betreft de in het verslagjaar feitelijk vastgestelde premie plus de raming van de nog vast te stellen premie over het verslagjaar en het inmiddels vastgestelde schattingsverschil ten opzichte van voorgaand verslagjaar. Het fonds heeft in 2017 geen premiekorting in de zin van de Pensioenwet verleend.

De Pensioenwet schrijft voor dat de feitelijke premie, de gedempte kostendekkende premie en de ongedempte kostendekkende premie worden gekwantificeerd. De ongedempte kostendekkende premie is gebaseerd op de gemiddelde nominale rekenrente primo verslagjaar ad 1,41% (2016: 1,67%). De VPV is berekend op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur waarbij gebruik wordt gemaakt van de ultimate forward rate (UFR-) methode. 

De samenstelling van de hiervoor genoemde premies is als volgt:

Samenstelling premiebijdragen: Feitelijk Gedempt kostendekkend Ongedempt kostendekkend
       
a. premiedeel voor onvoorwaardelijke verplichtingen 4.625 4.625 11.679
b. premiedeel opslag voor kosten pensioenbeheer 109 109 109
c. premiedeel solvabiliteitsopslag 1.286 1.286 3.247
d. premiedeel voor voorwaardelijke (indexatie-) verplichtingen 1.029 1.029 -
e. premiedeel op- of afslagen op de gedempte kostendekkende premie 1.169 - -
Totaal premiebijdragen 8.218 7.049 15.035
Totaal premiebijdragen 2016 7.002 6.750 12.436
 

Zoals uit de tabel blijkt is de feitelijke premie in 2017 hoger dan de gedempte kostendekkende premie en lager dan de ongedempte kostendekkende premie.

De in de tabel vermelde feitelijke premiebijdragen wijken af van de post premiebaten (netto). Het verschil wordt in onderstaande tabel nader toegelicht:

Aansluiting premiebijdragen:     Totaal 2017 Totaal 2016
         
Premiebijdragen (netto)     9.064 7.765
Feitelijke premiebijdragen     8.218 7.002
Verschil     846 763
Betreft:        
Inkooppremie VPL     1.000 826
Kostenopslag in de premie     -109 -102
Overige     -45 39
 

Uit de vergelijking van de premiedelen blijkt wat het effect van de demping is en wat het effect is van het wel (bij de gedempte benadering) of niet (bij de ongedempte benadering) rekening houden met verwachte beleggingsopbrengsten.

De minimaal te ontvangen premiebijdrage is gelijk aan de gedempte kostendekkende premie, vermeerderd met de herstelopslagen. De feitelijk ontvangen premie is hieraan gelijk.

Het premiedeel voor onvoorwaardelijke verplichtingen (a) is bij zowel de feitelijke als de gedempte kostendekkende premie gebaseerd op het op lange termijn verwachte nominale beleggingsrendement, vergelijkbaar met een vervangingsrente van 5,5%. 

Het premiedeel opslag voor kosten pensioenbeheer (b) betreft de premiebijdragen uit hoofde van de opslag voor incassokosten. De kostendekking voor excasso- en toekenningskosten is in het onvoorwaardelijke premiedeel (a) begrepen.

Het premiedeel solvabiliteitsopslag (c) is gebaseerd op de vereiste dekkingsgraad bij de strategische beleggingsmix primo 2017. De solvabiliteitsopslag bedraagt 27,8% van het onvoorwaardelijke premiedeel (a).

Het premiedeel voor voorwaardelijke (indexatie-)verplichtingen (d) is het verschil tussen een inschatting van het op lange termijn verwachte reële beleggingsrendement van 3,6% en de premiedelen (a) tot en met (c).

In deze integrale benadering is premiedeel (d) voor voorwaardelijke (indexatie-) verplichtingen de sluitpost. Hoe lager de nominale marktrente, hoe duurder de onvoorwaardelijke verplichtingen en hoe minder beschikbaar is voor de voorwaardelijke verplichtingen. 

Het premiedeel op- of afslagen op de gedempte kostendekkende premie (e) betreft het verschil tussen de premie op basis van het verwachte reële beleggingsrendement van 3,6% en het herziene uitgangspunt voor het reële beleggingsrendement van 2,8% dat is gehanteerd bij de bepaling van de premie voor 2017. 

1.7.1.2 Beleggingsresultaten (netto) (8)

  Vastgoedbeleggingen Aandelen Vastrentende waarden Derivaten Overige beleggingen 2017 2016
               
Directe resultaten 618 484 3.876 1.217 834 7.029 6.518
Indirecte resultaten 1.815 17.439 -4.130 10.046 -2.890 22.280 26.980
Kosten vermogensbeheer -128 -123 -92 -1 -58 -402 -390
Totaal beleggingsresultaten (netto) 2.305 17.800 -346 11.262 -2.114 28.907 33.108
 

De directe resultaten betreffen nominale renteopbrengsten en dividenden. Het pensioenfonds is vrijgesteld van dividendbelasting. De indirecte resultaten betreffen de actuele waardeontwikkeling van de beleggingen, inclusief valutakoersresultaten. De kosten betreffen de som van de gefactureerde kosten van de beleggingen op eigen naam, de door het uitvoeringsbedrijf voor vermogensbeheer gefactureerde kosten en de kosten van het bestuur. Bij de verdeling van de kosten naar beleggingscategorieën zijn niet direct toewijsbare kosten toegerekend naar rato van het belegd vermogen. In de jaarrekening staan alleen de gefactureerde kosten vermeld. De niet-gefactureerde kosten zijn gesaldeerd met de beleggingsresultaten. In het hoofdstuk Uitvoeringskosten van het bestuursverslag wordt het totaal van deze kosten toegelicht.

Transactiekosten zijn in de jaarrekening gesaldeerd met de beleggingsresultaten. Het totaal van de transactiekosten voor het boekjaar bedraagt € 467 miljoen (2016: € 204 miljoen). Een verdere specificatie van de transactiekosten is opgenomen in het hoofdstuk Uitvoeringskosten van het bestuursverslag. 

Het resultaat op derivaten wordt onderstaand gespecificeerd naar soort derivaat.

Resultaat derivaten 2017 2016
     
Rentederivaten -1.358 4.560
Valutaderivaten 12.694 -4.677
Overige derivaten -74 313
Totaal resultaat op derivaten 11.262 196
 

1.7.2 LASTEN

1.7.2.1 Pensioenuitkeringen (9)

Pensioenuitkeringen naar soort OP/NP AOP Totaal 2017 Totaal 2016
         
2017 -10.541 -158 -10.699 -
2016 -10.130 -166 - -10.296
         
Aantallen pensioengerechtigden ultimo:        
2017 827.348 41.106    
2016 808.645 41.740    
         
 
De post pensioenuitkeringen betreft ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP) en de arbeidsongeschiktheidspensioenen (AOP): AAOP, IP en HPT. 

1.7.2.2 Mutatie voorziening pensioenverplichtingen (10)

  Totaal 2017 Totaal 2016
Pensioenopbouw -12.813 -10.525
Rentetoevoeging 859 217
Onttrekking voor pensioenuitkeringen 10.765 10.334
Resultaat op actuariële grondslagen 97 -35
Onttrekking voor kosten pensioenbeheer 79 76
Ontwikkeling marktrente 4.874 -31.958
Wijziging actuariële grondslagen 83 -1.946
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten -2 -8
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen -555 169
     
Totaal mutatie voorziening pensioenverplichtingen 3.387 -33.676
 
De mutatie voorziening pensioenverplichtingen wordt onderstaand per component toegelicht.
 

PENSIOENOPBOUW

De post pensioenopbouw weerspiegelt het effect van 1 jaar diensttijdopbouw en de diensttijddoortelling bij arbeidsongeschiktheid en overlijden op de nominale pensioenverplichtingen. De mutatie ten opzichte van 2016 is met name het gevolg van de lagere rekenrente.

RENTETOEVOEGING

De waarde van de pensioenverplichtingen neemt, behalve met de pensioenopbouw en eventuele indexatie, jaarlijks ook toe met rente. De oprenting in het verslagjaar geschiedt tegen de eenjaarsrente uit de nominale rentetermijnstructuur ultimo voorgaand boekjaar ad  - 0,22% (2016: - 0,06%).

Omdat de eenjaarsrente uit de nominale rentetermijnstructuur ultimo voorgaand boekjaar negatief was, dalen de verplichtingen van het pensioenfonds. Bij een negatieve rente vormt de rentetoevoeging dus een bate. 

 

ONTTREKKING VOOR PENSIOENUITKERINGEN

De voorziening pensioenverplichtingen wordt actuarieel, dus rekening houdend met resultaat op actuariële grondslagen, berekend als de contante waarde van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. Jaarlijks wordt het voor het verslagjaar gecalculeerde bedrag uit de voorziening onttrokken, ter dekking van de feitelijk te verrichten pensioenuitkeringen in dat jaar. 

RESULTAAT OP ACTUARIËLE GRONDSLAGEN

Een hoger dan verwachte opbouw van rechten inkoop OP/NP en een licht positief resultaat op overgangen en flexibilisering leidt in totaal tot een positief resultaat op actuariële grondslagen.

ONTTREKKING VOOR KOSTEN PENSIOENBEHEER

De kosten van pensioenbeheer, bestaande uit excasso- en toekenningskosten, worden uit een onttrekking uit de voorzieningen gedekt. Voor 2017 gelden de opslagen zoals bepaald in het Grondslagenonderzoek 2011-2013. Zo bedraagt de excasso-opslag OP/NP 0,60% (2016: 0,60%) en de toekenningskostenopslag 0,10% (2016: 0,10%) van de voorziening pensioenverplichtingen. 

Voor de arbeidsongeschiktheidspensioenen geldt een incasso-opslag van 0,05% (2016: 0,05%) en een excasso-opslag van 3,35% (2016: 3,35%).

ONTWIKKELING MARKTRENTE

De rentetermijnstructuur ultimo 2017 zoals gepubliceerd door DNB correspondeert met een nominale rente van 1,48%. Ultimo 2016 correspondeerde de rentetermijnstructuur met een nominale rente van 1,32%. De wijziging van de rentetermijnstructuur leidt op totaalniveau tot een afname van de voorziening pensioenverplichtingen.

WIJZIGING ACTUARIËLE GRONDSLAGEN

De post wijziging actuariële grondslagen betreft het financiële effect van:

  • de jaarlijkse actualisering van de actuariële grondslagen voor het onderdeel 'overgangsrecht privatisering ABP (OPA)' op basis van waarnemingen. Dit leidt tot een afname van de voorziening pensioenverplichtingen van € 0,3 miljard.
  • de verwerking van de levensverwachting in de vervroegings- en uitstelfactoren leidt tot een toename van de voorziening pensioenverplichtingen van € 0,2 miljard.
  • de aanpassing van de wettelijke AOW-leeftijden leidt per saldo tot een afname van de voorziening pensioenverplichtingen van € 43 miljoen.

WIJZIGING UIT HOOFDE VAN OVERDRACHT VAN RECHTEN

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten 2017 2016
     
Waardeoverdrachten 1 5
Waardeovernames -3 -13
Totaal wijziging uit hoofde van overdracht van rechten -2 -8
 
 

OVERIGE MUTATIES VOORZIENING PENSIOENVERPLICHTINGEN

De overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen betreffen met name een actuarieel resultaat op het gebruik van AKP (ABP KeuzePensioen) van € 0,5 miljard. Daarnaast zijn bij de overige mutaties de effecten van de aanpassingen van de pensioenregeling in 2018 meegenomen, voor zover deze impact hebben op de voorziening ultimo 2017. Dit zijn de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar en het volledig financieren van het nabestaandenpensioen op basis van kapitaaldekking. Dit leidt per saldo tot een afname  van de voorziening pensioenverplichtingen met € 36 miljoen. 

1.7.2.3 Dekking uit kostenopslag pensioenpremies (11)

  2017 2016
     
  109 102
     
 

De dekking uit de pensioenpremies dient ter dekking van de incassokosten. De incasso-opslag OP/NP bedraagt 0,25% van de premiegrondslag OP/NP (2016: 0,25%).

1.7.2.4 Saldo overdracht van rechten (12)

  2017 2016
     
Waardeovernames 18 17
Waardeoverdrachten -2 -11
Totaal saldo overdracht van rechten 16 6
 

1.7.2.5 Kosten pensioenbeheer (netto) (13)

  2017 2016
     
Salarissen (inclusief sociale lasten) -7 -6
Pensioenlasten -1 -
Overige personeelskosten -1 -1
Afschrijvingen -6 -6
Diensten van derden pensioenbeheer -138 -145
Diensten van derden vermogensbeheer -343 -337
Diensten van derden overige -22 -26
Overige bedrijfskosten -7 -7
Subtotaal -525 -528
Af: opbrengsten uit werkzaamheden voor derden 16 15
Af: toerekening aan kosten vermogensbeheer 359 358
Kosten pensioenbeheer (netto) -150 -155
 

De overige bedrijfskosten betreffen voornamelijk kosten van huisvesting en toezichthouders. De omvang van het gemiddelde personeelsbestand bedroeg:

Omvang gemiddeld personeelsbestand 2017 2016
     
In fte's 39 32
In personen 41 34
     
 

Het personeel neemt deel aan de pensioenregeling van ABP. Als werkgever heeft ABP aan het fonds geen verplichting tot het doen van aanvullende bijdragen in het geval van tekorten, anders dan het voldoen van de jaarlijkse premiebijdragen. Hierdoor kan worden volstaan met het verantwoorden van de premie als last.

1.8 Toelichting op het enkelvoudige kasstroomoverzicht

(bedragen in miljoenen euro's, tenzij anders vermeld)

De post geldmiddelen is als volgt te specificeren:

Geldmiddelen (14)

  31-12-2017 31-12-2016
     
Beleggingen 828 144
Overige activa 13 -
     
Totaal geldmiddelen 841 144
 

1.8.1 Kasstroom uit pensioenactiviteiten

De ontvangen premies in het kasstroomoverzicht bestaan uit de premiebijdragen van € 9.173 miljoen en de ontvangen premies inzake de schuld voorwaardelijke inkoop van € 255 miljoen, zoals verantwoord onder schulden en overige passiva.

De toename van de ontvangen premies in 2017 is met name te verklaren door de stijging van de premies OP/NP in 2017.

De toename van de betaalde pensioenuitkeringen wordt veroorzaakt door de toename van het aantal pensioengerechtigden.

1.8.2 Kasstroom uit beleggingsactiviteiten

In het kasstroomoverzicht zijn kasstromen uit directe beleggingsopbrengsten en valutaresultaten op bankrekeningen opgenomen.

De post overige mutaties ontstaat door een aantal effecten. Enerzijds door mutaties in de balansposten ontvangen zekerheden en de negatieve bankstanden. Anderzijds door valuta effecten en de methodiek van doorkijk in de beleggingspools.

 

 

 

1.9 Overige toelichtingen

1.9.1 Actuariële analyse

in miljoenen euro's

  2017 2016
     
Resultaat op premiebijdragen    
Premiebijdragen (netto) (7) 9.064 7.765
Pensioenopbouw (10) -12.813 -10.525
Subtotaal -3.749 -2.760
Renteresultaat    
Beleggingsresultaten (netto) (8) 28.907 33.108
Rentelasten passiva beleggingen-gerelateerd -4 -5
Rentetoevoeging (10) 859 217
Ontwikkeling marktrente (10) 4.874 -31.958
Subtotaal 34.636 1.362
Resultaat op pensioenuitkeringen    
Pensioenuitkeringen (9) -10.699 -10.296
Onttrekking voor pensioenuitkeringen uit VPV (10) 10.765 10.334
Subtotaal 66 38
Resultaat op kosten    
Kosten pensioenbeheer (netto) (13) -150 -155
Onttrekking voor kosten pensioenbeheer uit VPV (10) 79 76
Dekking uit kostenopslag pensioenpremies (11) 109 102
Subtotaal 38 23
Resultaat overig    
Resultaat op actuariële grondslagen (10) 97 -35
Overige baten en lasten -33 30
Saldo overdracht van rechten (12) 16 6
Wijziging VPV uit hoofde van overdracht van rechten (10) -2 -8
Wijziging actuariële grondslagen (10) 83 -1.946
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen (10) -555 169
Subtotaal -394 -1.784
Totaal resultaat = saldo baten en lasten 30.597 -3.121
 

1.9.2 Beloningsparagraaf

Het beloningsbeleid voor bestuursleden is met ingang van 1 januari 2017 gewijzigd. Met de vereenvoudiging die is doorgevoerd in de commissiestructuur hebben we afscheid genomen van het systeem waarbij een vergoeding per lidmaatschap van een bestuurscommissie werd toegekend. In het nieuwe beloningsbeleid werken we met vaste beloningen. De tijd die iemand investeert in de (bestuurs-)functie bij ABP is daarbij leidend.   

De voorzitter ontvangt een vaste vergoeding op basis van een overeenkomst van opdracht. Deze vergoeding is gebaseerd op  het aantal dagen waarop de voorzitter voor het bestuur actief is. De vergoeding bedraagt in 2017 € 130.000, - op jaarbasis bij een vierdaagse werkweek. In 2016 was de vergoeding van de voorzitter gebaseerd op een driedaagse werkweek.

De vergoeding voor bestuursleden in 2016 was voor een belangrijk deel gebaseerd op deelname in de bestuurscommissies. De commissiestructuur is per 1 januari 2017 gewijzigd. De vergoeding die aan bestuursleden wordt toegekend op grond van het nieuwe beloningsbeleid is nagenoeg gelijk aan de vergoeding die zou zijn toegekend aan bestuursleden onder de oude systematiek – rekening houdende met de gewijzigde commissie indeling. Bestuursleden ontvangen een vaste vergoeding van € 90.000 per jaar waarop een aanvulling van € 10.000 mogelijk is in geval er sprake is van een groter dan gemiddeld tijdsbeslag voortvloeiend uit het bestuurslidmaatschap. Van een groter dan gemiddeld tijdsbeslag is bijvoorbeeld sprake bij de beide vicevoorzitters in het bestuur en de voorzitter van de beleggingscommissie. Aan de vergoedingen is geen sociale zekerheid en geen pensioenopbouw gekoppeld.

De vergoedingen van externe leden van commissies zijn in 2017 per commissielid onveranderd.

Indexatie van de bestuurdersvergoedingen is afhankelijk van de indexatie van de pensioenuitkeringen. Over 2017 zijn de pensioenuitkeringen niet verhoogd, waardoor er geen indexatie van de bestuurdersbeloningen heeft plaatsgevonden. Aan de leden van het bestuur zijn geen bonussen, leningen, voorschotten of garanties verstrekt.

in €

Leden bestuur 2017 2016
     
CM Wortmann-Kool (voorzitter bestuur) 130.000 100.000
WJ Berg * (tot 1-5-2017) 30.000 90.000
M Damm † 30-12-2016 - 90.000
M Doornekamp 90.000 90.000
C van Eykelenburg 90.000 90.000
P Fey (vanaf 1-5-2017) * 60.000 -
WH van Houwelingen 100.000 95.000
GAC Leegwater 90.000 85.000
JN van Lunteren 90.000 85.000
J Meijer * 100.000 100.000
CM Mulders-Volkers 90.000 80.000
PA Stork (vanaf 1-10-2017) 22.500 -
XJ den Uyl 90.000 85.000
CJM de Veer (tot 1-4-2016) - 25.000
A van Vliet 90.000 74.375
JPCM van Zijl 100.000 75.000
Totaal beloningen bestuur 1.172.500 1.164.375
 
* de gelden worden overgemaakt aan de betreffende instanties.

in €

(Externe) leden van de fondsorganen 2017 2016
     
Commissie van Beroep 46.772 48.016
Bestuurscommissie Beleggingsbeleid 42.350 115.736
Verantwoordingsorgaan 163.280 162.648
Raad van Toezicht 130.000 133.750
Totaal beloningen (externe) leden fondsorganen 382.402 460.150
 

In de fondsorganen in bovenstaande tabel participeren voornamelijk personen die geen deel uitmaken van het bestuur. Alleen in de Commissie van Beroep participeren ook bestuursleden. Het vertrek van een aantal externe leden van de Bestuurscommissie Beleggingsbeleid leidt tot lagere kosten voor dit fondsorgaan.  

in €

Directie bestuursbureau       2017 2016
  Salarissen Personele- en overige pensioenlasten Overige vergoedingen Totaal Totaal
NJM Beuken 211.647 42.239 - 253.886 237.354
RLS Verjans 202.359 42.317 16.140 260.816 223.220
           
 

De stijging van het salaris ten opzichte van 2016 is het gevolg van de algemene loonsverhoging (ALV) per 1 januari 2017 en een individuele salarisaanpassing bij de heer Verjans als gevolg van zijn benoeming in 2016. Daarnaast is er in 2017 sprake van een nabetaling en een uitkering ineens als gevolg van gedurende 2016 afgesloten CAO’s.
De hoogte van de ALV is gelijk aan de vastgestelde algemene bezoldigingswijze op basis van een gewogen gemiddelde van de gerealiseerde CAO-verhogingen in de overheids- en onderwijssector van het verstreken kalenderjaar. De ALV bestaat derhalve uit het percentage algemene loonsverhoging en in voorkomende gevallen uit een percentage nabetaling en een percentage uitkering ineens.

De post personele- en overige pensioenlasten omvat mede de werkgeversbijdragen sociale verzekering.

De post overige vergoedingen betreft de autokostenvergoeding. Indien hier geen vergoeding is opgenomen wordt er gebruik gemaakt van de leaseregeling.

1.9.3 Transacties met verbonden partijen

Transacties met verbonden partijen vinden plaats tegen marktconforme condities.

1.9.4 Overzicht door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening

Een groot deel van het belegd vermogen is ondergebracht bij door het uitvoeringsbedrijf beheerde fondsen voor gemene rekening (FGR’s), waarin ABP participeert. Het betreft de volgende FGR's:

 
APG Strategic Real Estate Pool  
APG Tactical Real Estate Pool  
APG Infrastructure Pool 2011  
APG Infrastructure Pool 2012  
APG Infrastructure Pool 2014  
APG Infrastructure Pool 2016  
APG Infrastructure Pool 2017 II  
APG Infrastructure Pool 2017  
APG Private Equity Pool 2009  
APG Private Equity Pool 2010  
APG Private Equity Pool 2012  
APG Private Equity Pool 2013  
APG Private Equity Pool 2014-2015  
APG Private Equity Pool 2016-2017  
APG Commodities Pool  
APG Absolute Return Strategies Pool  
APG Hedge Funds Pool  
APG Developed Markets Equity Pool  
APG Emerging Markets Equity Pool  
APG Emerging Market Dept Pool  
APG Developed Markets Equity Minimum Volatility Pool  
APG Opportunities Pool 2012  
APG Credits Pool  
APG Index Linked Bonds Pool  
APG Euro Plus Treasuries Pool  
APG Alternative Inflation Pool  
APG FGR Long Duration Treasury Pool